Een hogere levensduur van melkkoeien wordt vaak gezien als winst voor duurzaamheid, economie en dierenwelzijn. Maar volgens professor Ynte Schukken is het te simpel om te stellen dat koeien altijd zo oud mogelijk moeten worden. Naarmate koeien ouder worden, neemt het risico op gezondheidsproblemen en dus op welzijnsproblemen toe. Mastitis is daar een duidelijk voorbeeld van. De uitdaging is volgens de professor niet om de maximale levensduur na te streven, maar de optimale levensduur.
Een melkkoe langer aanhouden klinkt aantrekkelijk. Er is minder jongvee nodig, de opfokkosten kunnen over meer lactaties worden terugverdiend en het past in de maatschappelijke wens om dieren langer productief te houden. Ook in maatschappelijke discussies over duurzaamheid en dierenwelzijn wordt een hogere levensduur vaak als positief kengetal gebruikt.
Toch vraagt dat beeld om nuance, stelde professor Ynte Schukken tijdens zijn presentatie op het International Symposium on Dairy Nutrition afgelopen voorjaar in Wageningen. Schukken is voormalig hoogleraar aan Cornell University en momenteel CEO van Royal GD en hoogleraar aan zowel de Universiteit Utrecht als Wageningen University & Research. In zijn lezing ging hij in op de relatie tussen ziekte en levensduur bij melkkoeien, met mastitis als belangrijk voorbeeld.
Van maximaal naar optimaal
Als extra levensdagen gepaard gaan met meer ziekte, meer pijn of meer behandelingen, is een langere levensduur niet automatisch beter voor het dier. “De vraag moet daarom niet zijn: hoe krijgen we koeien zo oud mogelijk? De vraag moet zijn: hoe houden we koeien zo lang mogelijk gezond, productief en met zo min mogelijk pijn, ongemak of behandelingen?”, stelt professor Schukken. Met optimale levensduur bedoelt hij het punt waarop productie, economie, duurzaamheid, diergezondheid en dierwelzijn nog goed met elkaar in balans zijn.
Mastitis werkt twee kanten op
Mastitis is een goed voorbeeld van de balans tussen levensduur en gezondheid. Aan de ene kant verkort mastitis de levensduur. Koeien met mastitis hebben een grotere kans op afvoer of sterfte. Mastitis kost melk, verlaagt de melkkwaliteit, veroorzaakt pijn en ongemak en is een belangrijke reden voor antibioticagebruik op melkveebedrijven. Daarnaast is het een erg besmettelijke ziekte. Eén geval kan leiden tot meerdere gevallen. Schukken: “Hoe ouder een koe wordt, hoe groter de kans op mastitis. Elke melkbeurt brengt een heel kleine kans op infectie met zich mee. Dat risico stapelt zich op. Daarbij verandert de koe zelf ook. Oudere koeien hebben vaker fysieke veranderingen aan uier en spenen, waardoor het risico op mastitis toeneemt. Ook neemt de kwaliteit van de immuunrespons af. Daardoor kunnen mastitisgevallen bij oudere koeien ernstiger verlopen. Dat betekent meer ongemak, meer pijn en dus een verminderd welzijn voor de oudere koe. Ook als je die koe lang laat lopen, dan is de kans des te groter dat zij andere koeien besmet.”
Oudere koeien hebben meer gezondheidsrisico’s
Mastitis is slechts één van de ziekten die harder kunnen toeslaan op oudere leeftijd. Met toenemende leeftijd stijgt het risico op meerdere aandoeningen. Rond afkalven en in de vroege lactatie staat de weerstand van de koe onder druk. Juist in die periode kunnen ernstige mastitisgevallen optreden. Ook aandoeningen als ketose en melkziekte beïnvloeden de immuunfunctie en kunnen het risico op vervolgproblemen vergroten. Bij oudere koeien komen zulke risico’s vaker voor.
“Hoe vaker een koe afkalft, hoe groter de kans op ziekte”, stelt Schukken. “Met management kun je een boel sturen, maar het feit dat oudere dieren meer kans op ziekte hebben, is een biologisch gegeven.”
Bovenstaande betekent niet dat oudere koeien per definitie ongezond zijn. Veel oudere koeien produceren goed en kunnen probleemloos functioneren. Maar gemiddeld neemt de kans op ziekte toe met de leeftijd. Dat maakt het belangrijk om scherp te blijven kijken naar de kwaliteit van de extra levensdagen.
Meer levensdagen of meer gezonde levensdagen?
Ynte Schukken pleit ervoor anders te gaan kijken naar levensduur: niet alleen naar levensdagen, maar ook naar ziektefrequentie per levensdag. “In het begin kan langer aanhouden gunstig zijn. De opfokfase is achter de rug, de koe is productief en de ziektefrequentie per levensdag daalt. Maar op latere leeftijd kan dat kantelen. Dan neemt het aantal gezondheidsproblemen weer toe en stijgt de ziektedruk per levensdag. Dan komt het punt waarop je moet gaan nadenken. Zijn productie, economie, duurzaamheid, diergezondheid en dierwelzijn nog goed in balans?”
Afvoer moet dan volgens hem niet per definitie worden gezien als iets negatiefs, maar kan juist bijdragen aan een gezond koppel. “De kunst is om onderscheid te maken tussen vermijdbare en noodzakelijke afvoer. Vermijdbare afvoer vraagt om beter management. Denk aan preventie van mastitis, betere transitie, betere vruchtbaarheid of betere klauwgezondheid. Noodzakelijke afvoer is logische afvoer van oudere dieren voor bijvoorbeeld diergezondheid, welzijn of koppelverbetering. Een stijgende levensduur is pas echt positief als ook de gezondheidskengetallen goed blijven.”
Om als melkveehouder de juiste beslissingen te nemen rond afvoer, is het volgens Schukken belangrijk enkele praktische vragen te beantwoorden. Bijvoorbeeld welke koeien worden afgevoerd, en waarom? Hoe vaak komt mastitis terug bij dezelfde koeien? Hoe ontwikkelt het celgetal zich bij oudere koeien? Neemt het antibioticagebruik toe in hogere lactaties? Hoe vaak spelen ketose, melkziekte of kreupelheid mee bij oudere koeien? En misschien wel de belangrijkste vraag: zijn de extra levensdagen ook gezonde levensdagen of is het welzijn van de koe in het geding?
“Wie op die manier naar levensduur kijkt, komt verder dan alleen sturen op leeftijd. Dan wordt duidelijk welke koeien gezond oud worden, en welke koeien vooral langer blijven omdat er nog geen beslissing over afvoer is genomen”, besluit de professor.

Tekst: Gerben Hofman
Beeld: beeldarchief Prosu BV




