Wisselende zomerse weersomstandigheden hebben directe gevolgen voor de kwaliteit en benutting van ruwvoer in de melkveehouderij. Temperatuur, neerslag en groeisnelheid van gras beïnvloeden de opname door koeien, de voederwaarde en de melkproductie. Daarom is tijdige bijsturing in bemesting, beweiding, kuilmanagement en graslandbeheer van belang. Daarnaast spelen risico’s zoals broei, schimmelvorming en veranderende grasopbouw een rol in de bedrijfsvoering. Dit vraagt om continue monitoring en afstemming met adviseurs om productie en diergezondheid te ondersteunen gedurende het seizoen.
Weidegang: mineralenbalans en opname
Bij weidegang is de smakelijkheid van gras een bepalende factor voor opname. Deze kan worden beïnvloed door de bemesting met natrium, kalium en magnesium. Met name natrium draagt bij aan de smakelijkheid van gras, waardoor koeien het gras beter opnemen. Daarnaast is de balans in het rantsoen belangrijk. Richting de zomer verandert de samenstelling van gras: er komt relatief minder energie in het gras, terwijl het eiwitgehalte gelijk blijft of stijgt. Daarom is het volgens De Heus noodzakelijk om het stalrantsoen tijdig aan te passen in overleg met een rundveespecialist.
Verder kan grasziekte roest de opname van vers gras beperken. Daarom kan worden overwogen om nog een beperkte stikstofgift toe te passen, mits de bemestingsruimte dat toelaat. Indien dat niet mogelijk is, kan maaien een alternatief zijn om de grasmat te vernieuwen. Daarnaast speelt hittestress een rol bij de drogestofopname. Bij hogere temperaturen neemt de voeropname vaak af, waardoor de productie onder druk kan komen te staan. Daarom kan het nuttig zijn om weideplanning aan te passen en koeien tijdens warme middaguren binnen te houden in een koelere stal.
Broei beheersen
Door hogere temperaturen neemt het risico op broei in kuilvoer toe. Daarom is een strak en egaal snijvlak belangrijk, gecombineerd met een minimale voersnelheid van 1,5 tot 2 meter per week. Bovendien kunnen risicokuilen preventief worden behandeld met zuur om broei te remmen. Dit moet bij voorkeur gebeuren vóórdat er sprake is van actieve broei, omdat ingrijpen achteraf beperkt effect heeft.
Daarnaast neemt bij warm en vochtig weer het risico op schimmelvorming toe. Hierdoor kunnen mycotoxinen ontstaan die de opname en diergezondheid negatief beïnvloeden. Daarom is het belangrijk om kuilen regelmatig te controleren op temperatuur, geur en structuur. Bij afwijkingen, is snelle actie nodig om verdere kwaliteitsverlies te beperken.
Graslandbeheer
Bij droge omstandigheden verandert de samenstelling van gras. Het wordt vaak stengelig en minder goed verteerbaar, waardoor de voederwaarde afneemt. Daarom kan beregening worden overwogen om groei en kwaliteit te ondersteunen. Na een droge periode kan een korte regenbui in combinatie met stikstofbemesting leiden tot een verhoogd nitraatgehalte in gras. Daarom is het belangrijk om een korte wachttijd in te lassen voordat wordt geweid of gemaaid. Zo kan de plant stikstof omzetten in eiwit, wat de voederkwaliteit ten goede komt.
Daarnaast bieden regenachtige zomerdagen een geschikt moment om graslandpercelen te beoordelen. Hierbij kan worden gekeken naar open zoden, onkruiddruk en de samenstelling van het grasbestand. Op basis daarvan kan tijdig een plan worden opgesteld voor door- of herinzaai in het najaar. Zo behoud je een productieve en stabiele grasmat.
Bron: De Heus




