De Amerikaanse rivierkreeft veroorzaakt op steeds meer plaatsen schade aan slootkanten en oevers in het veenweidegebied. Bestrijding is lastig. Volgens universitair hoofddocent Maarten Schrama van de Universiteit Leiden heeft jarenlang wegvangen nauwelijks effect op de populatie. Meer perspectief ziet hij in een andere inrichting van oevers.
Tijdens de Boerendag van Wij.land op 4 september ging Schrama in op de opmars van de Amerikaanse rivierkreeft. De exoot is inmiddels in grote delen van West-Nederland algemeen aanwezig. Volgens Schrama doen verschillende verhalen de ronde over de introductie van de dieren. Zo zou een partij rivierkreeften ooit zijn losgelaten nadat een restaurant in Den Haag er niets mee kon. Zeker is dat niet, maar verspreidingskaarten wijzen er wel op dat de omgeving van Den Haag een van de eerste plekken was waar de soort opdook.
Wegvangen werkt averechts
De kreeften kunnen voor flinke schade zorgen. Ze ondergraven oevers, waardoor boeren en dieren onverwachts in de sloot kunnen wegzakken. Het ecosysteem in de sloot wordt bovendien overhoop gehaald. Bestrijding is heel lastig. “Er zijn al heel veel proeven gedaan met wegvangen, maar het lijkt averechts te werken. De grootste vijand van een kreeft is eigenlijk een grotere kreeft. Als je kreeften gaat vangen, vang je vooral de grotere exemplaren. Maar de groten eten de kleintjes op. Als je de grote wegvangt, blijven er dus meer jonge dieren over, die qua schade nauwelijks onderdoen voor de grote kreeften”, legt Schrama uit.
Onderzoek laat volgens Schrama zien dat langdurig wegvangen zelfs zou kunnen leiden tot méér kreeften. Onder hoge vangdruk planten de dieren zich voort op jongere leeftijd en bij een kleinere lichaamsgrootte. Zodra het wegvangen stopt, herstelt de populatie zich meestal binnen twee jaar volledig. “Je kunt ze prima wegvangen en opeten”, aldus Schrama. “Maar het gaat niet zorgen voor minder kreeften.”
Schuilplaatsen bepalen succes
De onderzoekers vroegen zich vervolgens af waardoor rivierkreeften eigenlijk worden beperkt. Voedsel lijkt daarbij nauwelijks een rol te spelen. De dieren eten vrijwel alles wat ze tegenkomen, variërend van waterplanten en viseitjes tot salamanders en soortgenoten.
Volgens Schrama lijkt vooral het aantal schuilplaatsen bepalend voor de omvang van de populatie. Rechte, steile oevers bieden ideale omstandigheden. De dieren kunnen er gemakkelijk holen graven waarin ze beschut zitten. “Zo’n rechte oever kun je eigenlijk vergelijken met een kreeftenflat”, zegt hij. Vooral diepe, zuurstofrijke oevers bieden de rivierkreeften veel mogelijkheden om gangenstelsels aan te leggen. Daarin kunnen ze zich naar hartenlust voortplanten.
Flauwe oevers leveren minder kreeften op
Met steun van Hoogheemraadschap Rijnland onderzocht de Universiteit Leiden daarom of een andere oeverinrichting de populatie kan terugdringen. Eerdere praktijkproeven op landgoed Cronesteyn lieten al zien dat natuurvriendelijke, geleidelijk aflopende oevers veel minder kreeften herbergden. De Universiteit Leiden deed haar proeven in het PolderLab, een 33 hectare groot veenweidegebied van burgercoöperatie Land van Ons, in de buurt van Leiden. Hier werden verschillende typen oevers met elkaar vergeleken. Naast een traditionele oever keken de onderzoekers naar natuurvriendelijke oevers met een flauw talud van 1 op 4. Ook werden varianten aangelegd met extra waterplanten, wilgenvlechtwerken en andere oeverinrichting.
De uitkomsten waren opvallend. Alleen het flauwer maken van de oever bleek al voldoende om het aantal kreeften ongeveer te halveren. Het lijkt daarbij nauwelijks uit te maken hoeveel planten op de oever groeien. Vooral de geleidelijkheid van het talud is bepalend. Een flauw profiel maakt het voor kreeften veel moeilijker om geschikte holen aan te leggen.
Opvallend genoeg pakten extra natuurmaatregelen op de oever minder goed uit. Oevers met wilgenvlechtwerken en extra structuren telden juist meer kreeften. Volgens Schrama bieden dergelijke constructies nieuwe schuilplaatsen. De dieren hoeven dan niet langer een hol te graven en kunnen zich verschuilen tussen hout en begroeiing. “Dat was eigenlijk slecht nieuws voor die maatregel, maar goed nieuws voor de kosten”, merkt hij op.
Geen wondermiddel
Toch benadrukt Schrama dat ook deze aanpak geen oplossing is waarmee rivierkreeften volledig verdwijnen. Zelfs op de meest succesvolle proeflocaties bleven nog aanzienlijke aantallen aanwezig. De hoop is dat de populatie uiteindelijk zo klein wordt dat natuurlijke vijanden de resterende kreeften onder controle kunnen houden. Of dat daadwerkelijk gebeurt, moet de komende jaren blijken.
Schrama vertelt daarnaast dat de gunstige resultaten zijn behaald op locaties met een relatief stevig toemaakdek met een hoog zandgehalte (ongeveer 55 procent) op het veen. Op pure veengronden kan de aanpak volgens hem minder goed werken.
Vanuit praktijkgebieden rond Zegveld krijgt Schrama die signalen ook terug. Op sommige locaties zitten de kreeften diep onder de oever en zijn de oevers sterk onderhold. Daar zal vermoedelijk een andere aanpak nodig zijn. “Dé oplossing is er niet. Maar dit is wel een van de weinige maatregelen die tot nu toe een effect laat zien, in ieder geval op de middellange termijn.”

Tekst: Gerben Hofman
Beeld: beeldarchief Prosu BV en Gerben Hofman




