Bij de BVD-steekproef wordt onderzocht of er aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van het BVD-virus op een melkveebedrijf. Soms blijkt één van de vijf onderzochte bloedmonsters positief voor BVD-antistoffen. Volgens het geldende protocol geldt die uitslag als een gunstig resultaat, daarbij zijn er geen verplichte vervolgstappen. Toch kan zo’n uitkomst verschillende betekenissen hebben.
De BVD-steekproef onderzoekt of er aanwijzingen zijn voor circulatie van het BVD-virus binnen een bedrijf. Volgens het geldende protocol wordt een uitslag met maximaal één antistofpositief bloedmonster op vijf onderzochte monsters als gunstig beoordeeld. Daarom zijn vanuit het protocol geen verplichte vervolgstappen nodig.
Volgens het protocol betekent een gunstige uitslag echter niet automatisch dat aanvullende beoordeling overbodig is. De aanwezigheid van antistoffen bij één dier kan verschillende oorzaken hebben. Volgens Royal GD kan dat samenhangen met vaccinatie, maternale antistoffen bij jonge dieren of een vals-positieve uitslag. Daarnaast kan één positief dier ook wijzen op een eerdere of nog aanwezige besmetting met het BVD-virus.
Aanvullend onderzoek kan meer duidelijkheid geven
Volgens Royal GD blijkt in de praktijk dat bedrijven met een later ongunstige steekproef soms een half jaar eerder nog één antistofpositief dier in de steekproef hadden. Daarom kan het zinvol zijn om de uitslag samen met de eigen dierenarts te beoordelen. Op basis van de bedrijfssituatie kan vervolgens worden bepaald of aanvullend onderzoek nodig is.
Dat aanvullende onderzoek kan bestaan uit een heronderzoek van het dier waarbij BVD-antistoffen zijn aangetoond. Ook kan ervoor worden gekozen om enkele extra dieren uit dezelfde leeftijdscategorie op BVD-antistoffen te onderzoeken. Volgens Royal GD kan een zorgvuldige beoordeling van de uitslag en de bedrijfssituatie bijdragen aan het vroegtijdig signaleren van mogelijke risico’s en meer inzicht geven in de BVD-status van het bedrijf.
Tekst: Esmee Groot Roessink




