Een groter aandeel gras in het rantsoen kan op verschillende vlakken bijdragen aan een duurzamere melkveehouderij. Bedrijven met meer gras scoren onder meer beter op ammoniakemissie, stikstofbodemoverschot en eiwit van eigen land. Daar staat tegenover dat de uitstoot van broeikasgassen per kilogram melk iets hoger ligt. Dat blijkt uit onderzoek van het Louis Bolk Instituut.
De Nederlandse melkveehouderij staat voor verschillende uitdagingen op het gebied van klimaat, waterkwaliteit, stikstof en biodiversiteit. Grasland kan aan verschillende van deze opgaven bijdragen. Tegelijkertijd stimuleert gras in het rantsoen de productie van het broeikasgas methaan bij koeien.
Uit een analyse blijkt dat een groter aandeel gras in het rantsoen gemiddeld samengaat met een iets hogere uitstoot van broeikasgassen per kilogram melk. Dit hangt vooral samen met de hogere methaanproductie tijdens de vertering van gras in de pens.
Daartegenover staan voordelen op andere gebieden. Bedrijven met meer gras in het rantsoen scoren bijvoorbeeld beter op verschillende stikstofgerelateerde aspecten. Zo liggen de ammoniakemissies en het stikstofbodemoverschot per hectare lager. Vooral bij biologische melkveebedrijven kwam dit naar voren.
Verschillende bedrijven vergeleken
Gerbrich Bonekamp van het Louis Bolk Instituut presenteerde het onderzoek onlangs tijdens het jaarlijkse congres van de European Federation of Animal Science (EAAP) in Hamburg. Tijdens dit internationale congres staat onder meer de verduurzaming van de veehouderij centraal.
Voor het onderzoek analyseerden de onderzoekers gegevens uit de periode 2023 tot en met 2025. Het ging om 18 gangbare en 10 biologische melkveebedrijven op zand- en kleigrond. Het aandeel vers gras en kuilgras in het rantsoen varieerde van 28 tot ruim 86 procent.
Vervolgens vergeleken de onderzoekers de bedrijven op verschillende duurzaamheidsaspecten. Bedrijven met meer gras in het rantsoen produceerden gemiddeld minder melk per hectare op het eigen bedrijf. Daarnaast lag de melkproductie per koe lager dan bij bedrijven met weinig gras in het rantsoen. Daardoor hangen de onderzoeksresultaten deels samen met verschillen in bedrijfsintensiteit.
Meer eiwit van eigen land
Grasrijke bedrijven hadden daarnaast een hoger percentage eiwit van eigen land. Ook scoorden ze lager op de zogenoemde feed-food-competitie voor eiwit. Dit betekent dat op deze bedrijven een kleiner deel van het veevoer ook rechtstreeks geschikt zou zijn voor menselijke consumptie.
De feed-food-competitie geeft inzicht in hoe efficiënt landbouwgrond bijdraagt aan de totale voedselproductie. Daarbij gaat het onder meer om de vraag in hoeverre veevoer concurreert met voedsel dat mensen rechtstreeks kunnen consumeren.
Grasrijke bedrijfsvoering als ontwikkelrichting
Volgens de onderzoekers laten de resultaten zien dat één indicator niet voldoende is om de milieuprestaties van een melkveebedrijf te beoordelen. Wie alleen kijkt naar de uitstoot van broeikasgassen per kilogram melk, houdt bijvoorbeeld geen rekening met effecten op waterkwaliteit, stikstofverliezen en eiwit van eigen land. Daarnaast speelt grasland een rol bij de bodem- en waterkwaliteit, koolstofopslag en biodiversiteit.
Het onderzoek wijst daarom op een relatief extensieve, grasrijke melkveehouderij als kansrijke ontwikkelrichting voor integrale duurzaamheid. Tegelijkertijd bestaan er soms grote verschillen tussen bedrijven. Daardoor liggen er volgens de onderzoekers nog mogelijkheden om de resultaten verder te verbeteren. Goed graslandbeheer, een goede ruwvoerkwaliteit, weidegang en een efficiënte benutting van nutriënten kunnen daaraan bijdragen.
Bron: Louis Bolk Instituut
Beeld: beeldarchief Prosu




