Een gezonde koe betekent een planbare en efficiënte werkdag. Zieke dieren, vruchtbaarheidsproblemen of stofwisselingsstoornissen zorgen juist voor ongepland en tijdrovend werk. De transitieperiode is daarom cruciaal: hier leg je de basis voor weerstand, vruchtbaarheid en productie in de volgende lactatie. Daarbij is niet alleen de pens belangrijk, maar vooral de lever, de energiemotor van de koe.
De rol van de lever
De lever staat centraal in de stofwisseling, met name bij de vorming van glucose. Anders dan veel zoogdieren kan de koe zelf glucose aanmaken, voornamelijk in de lever. Dit is essentieel voor melkproductie, immuniteit, energievoorziening en vruchtbaarheid.
In de pens ontstaan uit het rantsoen vluchtige vetzuren (azijnzuur, boterzuur en propionzuur). Vooral propionzuur wordt in de lever omgezet in glucose. Glucose is onmisbaar voor:
- Melkproductie: ± 72 gram glucose per liter melk
- Immuunsysteem: enige energiebron voor afweercellen
- Energievoorziening: na uier en immuunsysteem voor spieren en organen
- Vruchtbaarheid: tekort vergroot negatieve energiebalans en verlaagt drachtkansen
Glucoseverdeling en lichaamsreserves
Niet alle cellen nemen glucose direct op; daarvoor is insuline nodig. De uier vormt een uitzondering en krijgt altijd voorrang. Door hoge melkproductie worden sommige weefsels tijdelijk minder insulinegevoelig, waardoor de koe lichaamsreserves aanspreekt, normaal, zolang dit binnen grenzen blijft.
Ketonen en leververvetting
In de opstart van de lactatie wordt vet afgebroken tot NEFA’s die in de lever terechtkomen. Bij overmatige vetmobilisatie ontstaan ketonlichamen. Een beetje is geen probleem; een teveel leidt tot ketose, vaak onzichtbaar in de stal maar met grote gevolgen:
- Meer kans op baarmoederontsteking, lebmaagverdraaiing en nageboorteproblemen
- Lagere immuniteit
- Minder vruchtbaarheid (latere eerste tocht, lagere drachtkans)
- Lagere melkproductie (300–500 kg per lactatie)
- Hogere kans op vervroegde afvoer
Bij extreme vetmobilisatie kan leververvetting optreden, met blijvende verstoring van de glucoseproductie.
Ondersteuning van de transitiekoe
Bepaalde nutriënten helpen de lever gezond te houden:
- Propyleenglycol: verhoogt bloedglucose, minder vetmobilisatie
- Pensbestendige choline & methionine: ondersteunen vettransport, voorkomen leververvetting
- Betaïne: ondersteunt methylatie en vochtbalans in levercellen
- Niacine: remt vetafbraak en verlaagt ketoserisico
In vijf stappen naar een gezonde lever
- Tussenkalftijd 380–400 dagen om vervetting te beperken
- Rust in de droogstand en uitgebalanceerd rantsoen met voldoende eiwit
- Rustige afkalfomgeving met ruimte en voldoende drinkwater
- Stressarm opstarten met smakelijk rantsoen, veilige energie en leverondersteunende additieven (bijv. TopStart-brok)
- Actief monitoren: MPR, robotdata, NEFA (in melk) of ketonen (bloed, via dierenarts)
Tot slot
De lever is betrokken bij vrijwel alle processen in de koe. Door de transitieperiode strak te managen en signalen zoals verhoogde NEFA-waarden of ketose serieus te nemen, blijft de lever gezond.
Bron: Agrifirm




