Hoe werkt het houden van kalveren bij de koe in de praktijk en wat betekent dit voor de diergezondheid? Royal GD onderzocht dit op 19 melkveebedrijven die al minimaal twee jaar ervaring hebben met het systeem. De resultaten laten zien dat de gezondheid van kalveren op deze bedrijven grotendeels vergelijkbaar is met die op andere Nederlandse melkveebedrijven. Wel zijn er belangrijke aandachtspunten voor melkveehouders die met het systeem werken of dit overwegen.
De belangstelling voor systemen waarbij kalveren na de geboorte langer bij hun moeder of een pleegkoe blijven, neemt toe. In opdracht van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) onderzocht Royal GD daarom hoe melkveehouders het systeem ‘kalf bij de koe’ (KbK) in de praktijk toepassen. Daarbij stonden de ervaringen van melkveehouders en de gezondheid van koeien en kalveren centraal.
Verschillende manieren om kalveren bij de koe te houden
Aan het verkennende onderzoek namen 19 biologische of biologisch-dynamische melkveebedrijven deel. Alle bedrijven hadden minimaal twee jaar ervaring met een vorm van KbK.
Op elf bedrijven bleven de kalveren bij hun eigen moeder. Vier bedrijven werkten met pleegkoeien en de overige vier combineerden beide systemen. Ook de huisvesting en het management verschilden sterk tussen de bedrijven. Iedere melkveehouder had de werkwijze afgestemd op de eigen bedrijfssituatie.
Melkveehouders ervaren positieve effecten op kalvergezondheid
De deelnemende melkveehouders besteden veel aandacht aan dierwelzijn, gezondheid en natuurlijk gedrag. Rond het afkalven proberen zij zo min mogelijk in te grijpen en blijven koe en kalf zoveel mogelijk samen. Tegelijkertijd volgen ze de biestopname, groei, het gedrag en de gezondheid van de kalveren nauwlettend.
Volgens de veehouders draagt de relatie tussen koe en kalf bij aan vitale kalveren. Ook geven zij aan dat diarree, luchtwegklachten, mastitis en klauwproblemen weinig voorkomen.
Toch vraagt het systeem volgens de deelnemers om een bedrijfsspecifieke aanpak. Zij adviseren melkveehouders om KbK geleidelijk in te voeren en de dieren goed te observeren. Vooral de biestopname, het spenen en het moment waarop koe en kalf worden gescheiden, verdienen extra aandacht.
Biestopname levert vergelijkbare immuniteit op
Om de biestopname te beoordelen, onderzochten de onderzoekers bij 63 kalveren op 15 KbK-bedrijven de opname van maternale antistoffen (IgG) via de biest.
De resultaten waren vergelijkbaar met die van kalveren op andere Nederlandse melkveebedrijven. Er waren geen aanwijzingen dat kalveren die bij de koe blijven vaker of juist minder vaak onvoldoende passieve immuniteit ontwikkelen.
Lagere melkproductie en minder antibioticagebruik
Van elf deelnemende bedrijven waren aanvullende diergezondheidsgegevens beschikbaar. Deze bedrijven waren gemiddeld kleiner dan het gemiddelde Nederlandse melkveebedrijf.
Op de onderzochte KbK-bedrijven leefden de koeien langer en lag het vervangingspercentage lager. Daartegenover stond een duidelijk lagere melkproductie per koe. Volgens de onderzoekers kan dit mede komen doordat de kalveren een deel van de melk opnemen.
De KalfOK-scores en het aandeel levend geboren of succesvol opgefokte kalveren waren vergelijkbaar met het Nederlandse gemiddelde.
Ook het antibioticagebruik lag op de KbK-bedrijven lager. De onderzoekers benadrukken echter dat niet is onderzocht of dit samenhangt met het KbK-systeem of met het biologische of biologisch-dynamische karakter van de bedrijven. Binnen deze bedrijfsvormen gelden namelijk beperkingen voor het gebruik van antibiotica.
Verder was de sterfte onder volwassen dieren laag. De celgetalparameters lagen daarentegen hoger dan het Nederlandse gemiddelde.
Resultaten niet representatief voor alle melkveebedrijven
Het onderzoek geeft geen aanwijzingen dat de gezondheid van kalveren op de deelnemende KbK-bedrijven afwijkt van die op een gemiddeld Nederlands melkveebedrijf.
Wel benadrukken de onderzoekers dat de resultaten voorzichtig moeten worden geïnterpreteerd. Het onderzoek omvatte een beperkt aantal bedrijven en de verschillen in huisvesting en management waren groot. Daardoor kunnen de resultaten niet zomaar worden vertaald naar alle melkveebedrijven die kalveren bij de koe houden.
De studie biedt vooral een eerste inzicht in de verschillende KbK-systemen, de ervaringen van melkveehouders en de aandachtspunten voor de diergezondheid.
Bron: Royal GD
Beeld: beeldarchief Prosu




