De snijmaisteelt biedt meer kansen dan veel melkveehouders beseffen, vertelt Agro Service Manager Arjan Lassche van KWS. Dankzij snelle genetische vooruitgang, slimme rassenkeuze en het profiteren van vanggewassen valt er veel winst te behalen. “Wees niet bang om eens iets nieuws te proberen.”
Lassche merkt in de praktijk nogal eens dat melkveehouders niet elke kans benutten als het gaat om maisteelt. “Nog steeds kiezen telers bijvoorbeeld voor hetzelfde ras als vorig jaar. Maar kijk goed waar een maisras volgens jou aan moet voldoen en maak op basis daarvan een keuze. Kijk daarbij niet alleen naar opbrengst.” Bij de ontwikkeling van nieuwe rassen is de afgelopen jaren veel aandacht geweest voor stevigheid en is er veel geselecteerd op rassen die met minder toe kunnen. Dit laatste om ondanks strengere gebruiksnormen toch een acceptabele opbrengst te halen.
“Vanuit KWS waren we daar al langer mee bezig. Ook in andere landen is droogte een uitdaging. Daarom werkten we hard aan rassen die efficiënter met vocht omgaan. Als planten efficiënter met vocht omgaan, bijvoorbeeld doordat het wortelgestel beter is ontwikkeld, gaan ze doorgaans ook efficiënter met voedingsstoffen om.”
Vanggewassen hebben ook iets positiefs
Als het gaat om beschikbaarheid van voedingsstoffen, is Lassche heel positief over het effect van vanggewassen. “In eerste instantie was lang niet iedereen te spreken over het verplicht inzaaien van een vanggewas. Zeker niet als je daarvoor de mais ook nog eens eerder moet oogsten. Maar uiteindelijk zien we dat het op tijd inzaaien van een vanggewas helpt om reststikstof beter op te vangen en daarmee gemakkelijker te voldoen aan de nitraatrichtlijn.”
Lassche vertelt dat het met de juiste rassenkeuze mogelijk is om ook bij hakselen voor 1 oktober een goede opbrengst met dito voederwaarde te halen, mits je een ras neemt dat tijdig afrijpt.
Rustgewasverplichting en toch mais zaaien
Op alle percelen zand- of lössgrond moet sinds 2023 eens in de vier jaar een rustgewas worden geteeld. Op percelen waar dit nog niet is gebeurd, moet dit dus in 2026 gebeuren. Als je dan snijmais teelt, deze voor 1 september hakselt en vervolgens een groenbemester inzaait, telt de teelt ook als rustgewas. Voor september mais hakselen kan ook interessant zijn als je in het najaar een gras-klavermengsel wilt zaaien. “Klaver kun je in het najaar het beste in september zaaien. Dan is de grond nog goed warm en komt het beter op.”
Het risico bij het oogsten eind augustus is dat de mais dan nog niet voldoende is afgerijpt, maar volgens Lassche komen er steeds meer rassen die eind augustus geschikt zijn om te hakselen. “Wij hebben bijvoorbeeld de KWS GISO, die in 120 tot 130 dagen een acceptabele opbrengst en voederwaarde kan geven. Maar bij een geplande oogst voor 31 augustus geldt: wel even goed de handleiding lezen. Dat betekent zo vroeg mogelijk in het seizoen zaaien, het liefst rond 15 april maar uiterlijk 1 mei. De bodemgesteldheid moet het natuurlijk wel toelaten. Een vliegende start is belangrijk bij dit soort rassen. Dit betekent dat de bodemtemperatuur minimaal 10 graden Celsius moet zijn en het zaaibed luchtig moet zijn. De mais moet direct weggroeien. Als je dat doet, heb je de eerste slag gewonnen.”
Fosfaat en kalium als aandachtspunten
Volgens Lassche is het verstandig dit jaar even goed naar de bemesting van snijmais te kijken. Voor melkveehouders die gebruikmaakten van de derogatie was het gebruik van fosfaat in de rijenbemesting niet toegestaan. Nu de derogatie is afgebouwd, opent deze mogelijkheid zich weer en volgens Lassche moeten telers op kleigrond of fosfaatfixerende grond serieus naar deze optie kijken. “Je kunt het weglaten, maar bij een beperkte beschikbaarheid kan fosfaat in de rij het verschil maken in de beginontwikkeling.”
Ook kalium is een nutriënt dat volgens Lassche om aandacht vraagt. “Er wordt minder kalium aangevoerd met drijfmest. Dit omdat de gift omlaag is gegaan, maar ook omdat het kaliumgehalte in drijfmest aan het dalen is. Met 40 kuub drijfmest met 5 kilogram kalium per kuub breng je 200 kilogram kalium op een hectare. Het liefst heb je voor mais 250 tot 270 kilogram. Afhankelijk van je bodemvoorraad kan het verstandig zijn om rond het maiszaaien nog 100 kilogram Kali-60 per hectare over het maisland te strooien.”
Mais hoger afhakselen
Door vermindering van de drijfmestgift daalt ook de aanvoer van organische stof. Om dit enigszins te compenseren, is het aan te raden de mais niet helemaal tot aan de grond af te hakselen. De lange stoppel kan vervolgens worden verkleind en ondergewerkt. Maar dit is volgens Lassche niet de enige reden om mais hoger af te hakselen. “Hoger afhakselen betekent meer zetmeel per kilogram drogestof. Iedere 10 centimeter hoger afhakselen is 10 gram zetmeel per kilogram drogestof meer. Ook stijgt het eiwitgehalte, maar je hebt minder ruw as. Wie wil kan nog een stapje verder gaan en een deel van de mais als MKS laten oogsten.”
Volgens Lassche is er in de maisteelt meer mogelijk dan veel telers denken. “Je moet het gewoon eens testen. Het hoeft niet meteen voor het hele areaal. Probeer eerst eens een stukje en doe een jaar ervaring op”, adviseert hij.

een acceptabele opbrengst en voederwaarde kan geven.
‘Boven het maisveld’ is een samenwerking tussen de vakbladen de Loonwerker en Melkveebedrijf op het gebied van teelt, opslag en voeren van mais.
Tekst: Gerben Hofman
Beeld: KWS


