Een analyse van de biestopnamecheck over 2025 geeft inzicht in de opname van antistoffen bij jonge kalveren. Deze check meet het IgG-gehalte in het bloed van kalveren van 2 tot 7 dagen oud. Daarmee wordt zichtbaar in hoeverre kalveren voldoende biest hebben opgenomen. De resultaten zijn gebaseerd op vrijwillig ingezonden monsters, waarbij de reden van inzending niet is vastgelegd. Desondanks geven de cijfers een algemeen beeld van de biestvoorziening in de praktijk.
Gemiddeld IgG-gehalte en spreiding
Uit de analyse blijkt dat het gemiddelde IgG-gehalte in 2025 uitkwam op 23 g/L. Tegelijkertijd is er sprake van een brede spreiding, variërend van 4 tot meer dan 30 g/L. Dit wijst erop dat de biestopname per kalf sterk kan verschillen. Omdat de monsters vrijwillig zijn ingestuurd en de achtergrond onbekend is, moeten de resultaten volgens de analyse met enige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd.
Verdeling van de resultaten
De uitslagen zijn ingedeeld in vier categorieën, afhankelijk van het gemeten IgG-gehalte. Het grootste deel van de kalveren valt in de categorieën goed en uitstekend. Zo scoort 37% van de monsters uitstekend, met een IgG-gehalte boven 25 g/L. Daarnaast valt 45% in de categorie goed, met waarden tussen 18 en 25 g/L.
Tegelijkertijd laat 16% van de monsters een onvoldoende resultaat zien, met een IgG-gehalte tussen 10 en 18 g/L. Een klein deel, namelijk 2%, scoort te laag en blijft onder de 10 g/L. Hierdoor ontstaat een beeld waarin de meeste kalveren voldoende antistoffen opnemen, terwijl een beperkte groep achterblijft.
Betekenis voor de praktijk
Een goede biestvoorziening speelt een belangrijke rol in de eerste levensdagen van kalveren. De gemeten IgG-waarden geven een indicatie van de opname van antistoffen uit biest. Daardoor kan de biestopnamecheck worden gebruikt om de start van kalveren te evalueren.
Omdat er sprake is van variatie in de resultaten, kan monitoring bijdragen aan het signaleren van afwijkingen. Volgens de analyse laat het merendeel van de kalveren een voldoende tot goede opname zien, terwijl een kleinere groep extra aandacht vraagt.
Bron: GD Diervoeding




