Ieder jaar wisselt minder dan twee procent van de landbouwgrond van eigenaar. Dat maakt grond schaars en duur. Regionaal zijn er duidelijke verschillen. Grootschalige landbouwgebieden in het noorden en de polders hebben een lage mobiliteit, delen van Zuid- en Oost-Nederland kennen meer dynamiek.
Grond blijft vaak binnen families, mede door fiscale en financiële overwegingen is de verkoop uitgesteld. Tegelijkertijd blijft de vraag naar grond hoog. Vergrijzing en het ontbreken van opvolging creëren wel potentieel aanbod, maar leiden slechts beperkt tot extra transacties op de grondmarkt. Dit maakt grond schaars en duur, en belemmert schaalvergroting, extensivering en het realiseren van andere ruimtelijke opgaven. Dit blijkt uit onderzoek van het Kadaster in samenwerking met Wageningen Social & Economic Research.
Verhandelde landbouwgrond
In 2025 werd ongeveer 33.900 hectare landbouwgrond verhandeld. In 2019 lag de mobiliteit op een vergelijkbaar niveau van ongeveer 32.400 hectare. Over een langere periode is de grondmobiliteit dus vrij stabiel. In het afgelopen decennium varieerde het jaarlijks verhandelde areaal tussen de 30.000 en 40.000 hectare, met een duidelijke uitschieter naar beneden in 2023 met slechts 27.400 hectare. Na deze dip herstelde de mobiliteit weer richting het langjarig gemiddelde.
De in 2025 verhandelde 33.900 hectare komt, afgezet tegen het totale areaal landbouwgrond van 1,804 miljoen hectare, neer op een (relatieve) grondmobiliteit van ongeveer 1,9 procent. Jaarlijks wisselt dus minder dan twee procent van de landbouwgrond van eigenaar.
Regionale verschillen
De regionale verschillen in relatieve grondmobiliteit laten een divers beeld zien. In vrijwel alle landbouwgebieden ligt de grondmobiliteit tussen ongeveer 1,3 en 2,5 procent per jaar. De lagere mobiliteit concentreert zich in grootschalige landbouwgebieden in Noord-Nederland en de polders, zoals Noordelijk Friesland, het Oostelijk Hogeland en de Noordoostelijke Polder. Daartegenover is een hogere mobiliteit zichtbaar in delen van Zuid- en Oost-Nederland, waaronder Noord-Limburg, de Peelregio en delen van Gelderland en Drenthe.
De relatief lage mobiliteit in grootschalige akkerbouwgebieden in Noord Nederland en de polders lijkt volgens het onderzoek samen te hangen met grotere, kapitaalintensieve bedrijven en een beperkte uitstroom, terwijl de hogere mobiliteit in delen van Zuid- en Oost-Nederland mogelijk verband houdt met een kleinschaligere en meer dynamische bedrijfsstructuur, frequenter voorkomende bedrijfsbeëindiging of bedrijfsverplaatsing en mogelijk ook een grotere druk vanuit concurrerende functies zoals wonen en infrastructuur.
Beperkt aanbod houdt mobiliteit laag
De lage grondmobiliteit hangt daarnaast ook in belangrijke mate samen met een beperkt aanbod van landbouwgrond. Een groot deel van de grond blijft binnen de familie, bijvoorbeeld via bedrijfsopvolging. Daarnaast spelen fiscale factoren een rol. Het kan aantrekkelijk zijn om verkoop uit te stellen om directe belastingheffing over stille reserves (zoals de waardestijging van grond) te voorkomen, of om gebruik te maken van fiscale regelingen bij bedrijfsbeëindiging en bedrijfsoverdracht, zoals doorschuifregelingen binnen de familie. Ook verwachtingen over toekomstige functiewijziging van de grond dragen bij. Grondeigenaren houden grond soms vast in afwachting van een hogere opbrengst bij een andere bestemming.
Tegelijkertijd is de vraag naar grond structureel hoog. Binnen de landbouw speelt onder meer de behoefte aan schaalvergroting en extensivering, terwijl ook andere functies – zoals natuur, woningbouw, infrastructuur en energie – een toenemend beroep doen op landbouwgrond. Dit zorgt er samen voor dat de prijzen op een hoog niveau blijven.
Lage mobiliteit belemmert functioneren grondmarkt
De lage grondmobiliteit heeft verschillende gevolgen voor de werking van de grondmarkt. Voor landbouwbedrijven maakt het de aankoop van grond lastig, waardoor schaalvergroting of extensivering is bemoeilijkt. Dit kan leiden tot versnipperd grondgebruik en hogere kosten voor de bedrijfsvoering.
Door de lage mobiliteit en de hoge grondprijzen groeit de spanning tussen wat grond agrarisch oplevert en wat de markt ervoor vraagt. Dit speelt niet alleen in Nederland, maar ook bijvoorbeeld in Vlaanderen.
Bron: Kadaster




