Wie de productieve levensduur van melkkoeien wil verlengen, moet niet pas beginnen bij de melkgevende koe. Volgens prof. dr. Geert Opsomer van de Universiteit Gent wordt de basis voor gezondheid, vruchtbaarheid, melkproductie en lange levensduur al veel eerder gelegd: tijdens de dracht, de eerste levensuren en de melkperiode van het kalf. Opsomer legde dit afgelopen juni uit tijdens de FirstStep Academy van Zinpro in Luxemburg en Duitsland.
Volgens Opsomer komt een kalf niet als een onbeschreven blad ter wereldt. “Genetica bepaalt het potentieel, maar de omstandigheden in de baarmoeder en de eerste levensweken bepalen mee hoe dat potentieel tot uiting komt”, aldus de professor.
Begin bij de drachtige koe
Levensduur begint volgens Opsomer al bij het drachtige moederdier. De voeding, gezondheid, lichaamsconditie, melkproductie, droogstandslengte en eventuele hittestress van de koe kunnen invloed hebben op de ontwikkeling van het kalf.
Dat betekent dat de droogstand en dracht niet alleen belangrijk zijn voor de volgende lactatie van de koe zelf, maar ook voor de toekomstige prestaties van haar kalf. Vooral hoogproductieve koeien en drachtige vaarzen verdienen extra aandacht. Bij vaarzen concurreert de groei van het moederdier met de groei van de foetus. Bij hoogproductieve koeien moeten nutriënten worden verdeeld over melkproductie, onderhoud en dracht.
Opsomer adviseert melkveehouders bij drachtige dieren niet alleen naar rantsoen op papier te kijken, maar ook naar lichaamsconditie, hittestress, ziektegeschiedenis en droogstandslengte. Een kalf dat gezond moet uitgroeien tot een productieve koe begint bij een moederdier dat tijdens de dracht goed wordt ondersteund.
Hittestress raakt ook het ongeboren kalf
Hittestress tijdens de dracht is volgens Opsomer een onderschat risico. De gevolgen beperken zich niet tot de koe zelf. Hittestress in de late dracht kan leiden tot een lager geboortegewicht, minder groei vóór spenen en een minder goed functionerend immuunsysteem.
Ook belangrijk volgens de professor: kalveren van koeien die tijdens de dracht hittestress ondervonden kunnen antistoffen uit biest minder efficiënt opnemen. “Zelfs een goed biestprotocol kan dan minder resultaat geven, omdat het kalf minder goed in staat is om immunoglobulinen op te nemen”, waarschuwt Opsomer. Hij adviseert dan ook te allen tijde ook bij droge koeien en drachtige vaarzen voor verkoeling, voldoende drinkwater, ventilatie en schaduw te zorgen.

Biest: meten is weten
De eerste uren na de geboorte zijn de tweede cruciale fase. Biest is meer dan een bron van antistoffen. Het bevat ook bioactieve stoffen die darmontwikkeling, stofwisseling, groei en immuniteit beïnvloeden. De basis voor een goede biestgift blijft snel, schoon, voldoende en van goede kwaliteit. Voor dat laatste geeft een Brixmeter veel informatie. Goede biest bevat meer dan 50 gram IgG per liter. Op het bedrijf is dat praktisch te controleren met een Brix-refractometer: streef naar minimaal 22 procent Brix.
Controleer vervolgens ook of de antistoffen daadwerkelijk bij het kalf terechtkomen. Dit kan met regelmatig bloedonderzoek. Bij kalveren in de eerste levensweek zijn totaal serumeiwit boven 55 gram per liter of Brixwaarden boven 8,5 procent bruikbare richtwaarden.
Sonde is geen teken van mislukking
In de praktijk drinken sommige kalveren niet snel genoeg of onvoldoende uit de fles. Volgens Opsomer hoeft sondevoeding dan niet als noodgreep of teken van mislukking te worden gezien. Als het protocol goed is, kan een slokdarmsonde juist helpen om tijdige opname van voldoende biest te garanderen.
Hij adviseert medewerkers goed te trainen in veilig gebruikt van sondes en vast te leggen wanneer sondevoeding wordt toegepast. Het doel blijft hetzelfde: zo snel mogelijk voldoende biest van goede kwaliteit in het kalf zien te krijgen.
Melk voeren is investeren
Na de biestperiode volgt de melkperiode. Lange tijd werd kalveropfok vooral bekeken vanuit kosten en het stimuleren van vroege krachtvoeropname. Opsomer pleit voor een bredere blik. Het jonge kalf heeft veel potentie voor efficiënte groei, maar moet daarvoor wel genoeg nutriënten krijgen.
Beperkte melkvoeding kan de groei remmen, zeker bij koud weer. Dan gaat veel energie op aan onderhoud en blijft er weinig over voor groei, weerstand en orgaanontwikkeling. Vroege groei hangt samen met leeftijd bij eerste inseminatie, leeftijd bij eerste afkalving en melkproductie in de eerste lactatie.
Volgens Opsomer is het daarom belangrijk de melkgift af te stemmen op groei, omgevingstemperatuur en gezondheid. “Geef bij koud weer extra energie. Zorg daarnaast vanaf het begin voor schoon water en smakelijke kalverstarter”, adviseert hij.
Speen geleidelijk en voorkom een dip
Meer melk voeren vraagt om goed speenmanagement. Wie abrupt speent, riskeert een dip in voeropname en groei. Kalveren moeten voldoende tijd krijgen om over te schakelen op vast voer. Door de melkgift geleidelijk af te bouwen, de krachtvoeropname te controleren en bij het spenen niet uit te gaan van leeftijd, maar van het kalf zelf, kan de overgang goed lopen.
Denk ook aan sociaal gedrag
Kalveren leren van elkaar. Huisvesting in paren of kleine groepen kan de opname van vast voer stimuleren en de overgang naar nieuw voer vergemakkelijken. Maar dat kan alleen als de basis klopt: voldoende immuniteit, lage infectiedruk, goede ventilatie, schoon strooisel en beperkte groepsgrootte. Opsomer adviseert te beginnen met samen huisvesten van kalveren als de gezondheid en weerstand van de kalveren aantoonbaar op orde zijn.
Tijdens diezelfde FirstStep Academy van Zinpro in Luxemburg en Duitsland afgelopen juni bogen zo’n 70 specialisten uit 21 landen zich over de vraag: wat is nodig om koeien langer gezond en rendabel melk te laten geven? Lees hier verder over de visie van de specialisten.
Tekst: Gerben Hofman
Beeld: Gerben Hofman en Zinpro




