Het beste dipmiddel bestaat niet. Dat hangt namelijk af van de omstandigheden op het bedrijf. Niet elk dipmiddel past bij iedere situatie. Dierenarts/onderzoeker Sophie Piepers van UGent/ M-team vertelde over de juiste dipmiddelkeuze tijdens de HIPRA University voor dierenartsen in juni dit jaar in Voorst.
Dipmiddelen worden al tientallen jaren gebruikt om nieuwe uierinfecties te voorkomen. Oorspronkelijk lag de focus vooral op het afdoden van bacteriën na het melken. Tegenwoordig komt daar steeds meer aandacht bij voor speenverzorging en bescherming van de speenhuid. “Moderne dipmiddelen hebben vaak een dubbele functie: bacteriën afdoden en de speenhuid beschermen en verzorgen. Dat laatste wordt steeds belangrijker. Een gezonde speenhuid maakt het bacteriën immers moeilijker om zich te vestigen”, vertelt ze.
Verschillen tussen werkzame stoffen
Tijdens haar presentatie tijdens de HIPRA University besprak Piepers verschillende groepen dipmiddelen op basis van de werkzame component:
Chloorhexidine en melkzuur
Deze middelen staan bekend als relatief mild voor de speenhuid. Ze hebben een ontsmettende werking en zijn huidvriendelijk. Dergelijke middelen passen goed op bedrijven met een lage infectiedruk en een goede algemene uiergezondheid.
Jodium
Jodium heeft een sterke ontsmettende werking, vooral tegen besmettelijke mastitisverwekkers zoals staphylococcen. Tegelijkertijd vraagt gebruik van een dergelijk product aandacht voor de huidconditie, zeker bij gevoelige koeien of onder uitdagende weersomstandigheden. Daarnaast liet Piepers zien dat de werking van jodium gevoeliger is voor een sterk alkalische omgeving dan die van bijvoorbeeld melkzuur of chloordioxide.
Chloordioxide
Chloordioxide combineert een brede ontsmettende werking met relatief goede huidvriendelijkheid. Het heeft een stabiele werking onder verschillende omstandigheden en is minder gevoelig voor een hoge pH. Het kan interessant zijn op bedrijven met een hogere infectiedruk.
Barrièredips: wanneer zijn ze interessant?
Steeds meer bedrijven gebruiken barrièredips. Deze vormen een beschermende film op de speen tussen twee melkbeurten. Onderzoek dat Piepers toelichtte liet zien dat dergelijke producten de opname van bacteriën via de speen kunnen verminderen. Maar volgens haar zit de kracht waarschijnlijk in de combinatie van bescherming door de film én ontsmetting. “Een barrièredip is dus geen vervanging van goede hygiëne, maar een extra hulpmiddel”, stelt Piepers.
Boxmanagement beïnvloedt het effect
Een dipmiddel pas effectief kan worden gekozen wanneer de infectiedruk en de bedrijfsomstandigheden goed zijn geanalyseerd. Volgens Piepers begint de keuze voor een dipmiddel met het in kaart brengen van de infectiedruk op het melkveebedrijf. Er bestaat namelijk geen dipmiddel dat onder alle omstandigheden optimaal presteert. De effectiviteit hangt af van de bacteriedruk op het bedrijf én van de omstandigheden waarin de koeien worden gehouden. Daarom is het belangrijk eerst vast te stellen welke ziektekiemen de grootste rol spelen en welke factoren de infectiedruk verhogen.
Het aantal klinische mastitisgevallen en het celgetal geven een eerste indruk van de uiergezondheid. Daarnaast zijn bacteriologische uitslagen essentieel om te bepalen of de problemen vooral worden veroorzaakt door besmettelijke mastitisverwekkers, zoals Staphylococcus aureus, of door omgevingsgebonden bacteriën, zoals E. coli en streptokokken. Dat onderscheid bepaalt mede welke eigenschappen een dipmiddel moet hebben.
Ook de hygiëne van de koeien en het ligbed spelen volgens Piepers een belangrijke rol. Een nat of vuil ligbed zorgt voor een hogere infectiedruk doordat meer bacteriën in contact komen met de speen. Daarbij is niet alleen de hygiëne van belang, maar ook het gebruikte boxmateriaal. Materialen zoals gescheiden mest, zand, stro of kalk gedragen zich verschillend wat betreft vochtopname, bacteriegroei en pH. Vooral bij gescheiden mest en het gebruik van kalkproducten kunnen zowel de infectiedruk als de werking van dipmiddelen veranderen.
Een opvallende conclusie uit de presentatie was dat ook het ligbed invloed kan hebben op de werking van een dipmiddel. Veel dipmiddelen zijn zuur, terwijl ligbedden met kalk of gescheiden mest juist sterk alkalisch kunnen zijn. Daardoor kan de ontsmettende werking van sommige producten, met name jodium, afnemen. Volgens Piepers is het daarom belangrijk om een dipmiddel af te stemmen op de eigenschappen van het boxmateriaal.
Daarnaast wijst Piepers op de invloed van het seizoen. Tijdens koude, natte of winderige perioden verslechterde in haar onderzoek de conditie van de speenhuid zichtbaar. Een beschadigde of droge speenhuid biedt bacteriën meer mogelijkheden om zich te hechten en verhoogt daarmee indirect de kans op mastitis. De infectiedruk is dus niet statisch, maar verandert gedurende het jaar. Daarom kan ook de meest geschikte keuze voor een dipmiddel per seizoen verschillen.
Geen wondermiddelen
Tot slot waarschuwt Piepers voor te hoge verwachtingen. Een dipmiddel kan helpen om nieuwe infecties te voorkomen, maar lost bestaande chronische infecties niet op. Het is geen wondermiddel. Uiergezondheid blijft het resultaat van meerdere factoren die samenkomen. “Het gaat nooit om één maatregel. Het gaat om het geheel van speenconditie, infectiedruk, huisvesting, hygiëne en management.”
Dipmiddel kiezen in 6 stappen
1. Breng de uiergezondheid in beeld
Hoe groot is het probleem en welke ziekteverwekkers spelen een rol?
2. Beoordeel de hygiëne
Hoe groot is de bacteriedruk rondom de speen?
3. Analyseer het ligbed en boxmateriaal
Welke invloed heeft de huisvesting op de werking van het dipmiddel?
4. Beoordeel de speenhuidconditie
Heeft de speenhuid extra bescherming nodig?
5. Kies de gewenste eigenschappen van het dipmiddel
Kijk op basis van voorgaande stappen wat nodig is en welke eigenschappen dipmiddelen hebben.
6. Evalueer en stuur bij
Werkt het gekozen dipmiddel in de praktijk?
Tekst en beeld: Gerben Hofman




