Emissiearm toedienen van drijfmest verlaagt de ammoniakemissie en zorgt voor een hogere grasopbrengst dan bovengronds uitrijden. De manier van mesttoediening blijkt nauwelijks invloed te hebben op het bodemleven. Zodenbemesting leidt daarentegen wel tot een hogere uitstoot van lachgas. Dat blijkt uit vijfjarig onderzoek van Wageningen University & Research (WUR) en het Louis Bolk Instituut (LBI).
In Nederland wordt drijfmest op grasland doorgaans emissiearm toegediend, waarbij de mest in sleufjes in de bodem of in strookjes op het grasland terechtkomt. Een deel van de melkveehouders zet vraagtekens bij de gevolgen van het insnijden van de graszode voor de bodemkwaliteit en het bodemleven.
In opdracht van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur onderzochten WUR en LBI daarom de effecten van verschillende mesttoedieningstechnieken. Daarbij is gekeken naar de bodemkwaliteit, grasopbrengst en emissies van ammoniak en lachgas en het risico op nitraatuitspoeling.
Meer stikstof beschikbaar voor gras
Bij het insnijden of injecteren van drijfmest vervluchtigt minder stikstof in de vorm van ammoniak dan wanneer mest bovengronds wordt uitgereden. Hierdoor blijft meer stikstof beschikbaar in de bodem.
Volgens de onderzoekers leidt dit tot een betere stikstofopname door het gras en een hogere gewasopbrengst. Eerder onderzoek liet al zien dat het inwerken of injecteren van drijfmest de ammoniakemissie verlaagt ten opzichte van bovengrondse toediening. Daar staat tegenover dat zodenbemesting tot meer lachgasemissie leidt. Volgens de onderzoekers komt dit doordat bij deze methode meer stikstof in de bodem terechtkomt. Lachgas is een broeikasgas.
De wijze waarop de mest werd toegediend, had in het onderzoek geen effect op het risico op nitraatuitspoeling.
Nauwelijks verschil in bodemleven
De onderzoekers vonden zowel op korte als lange termijn geen duidelijke verschillen in het bodemleven tussen percelen waarop mest bovengronds werd uitgereden en percelen met zodenbemesting.
Onder meer de aantallen en biomassa van regenwormen, nematoden, bacteriën en schimmels bleven vergelijkbaar. Daarmee vonden de onderzoekers geen aanwijzingen dat het insnijden van de graszode bij zodenbemesting het bodemleven aantast.
Wel werden verschillen gevonden in de bodemstructuur en beworteling. Op praktijkpercelen waar langdurig bovengronds mest was uitgereden, waren de bodemstructuur en beworteling beter. Volgens de onderzoekers hangt dit waarschijnlijk samen met het gebruik van lichtere machines bij bovengrondse mesttoediening. Mestinjecteurs zijn doorgaans zwaarder en kunnen daardoor meer invloed hebben op de bodemstructuur.
Op kleihoudende percelen werd daarnaast vastgesteld dat bij langdurige droogte meer scheurvorming kan ontstaan langs de sneden die door de zodenbemester worden gemaakt.
Verschillen tussen melkveebedrijven
Naast de veldproeven onderzochten WUR en LBI de bedrijfsvoering van veertig melkveebedrijven. Daarbij bleken bedrijven die mest bovengronds uitrijden gemiddeld extensiever te zijn.
Deze bedrijven hebben volgens de onderzoekers gemiddeld een lagere melkproductie en gebruiken minder kunstmest. Daardoor bevat de drijfmest op deze bedrijven gemiddeld ook minder stikstof en ammonium.
Die verschillen in bedrijfsvoering zijn van belang bij het vergelijken van mesttoedieningstechnieken. De uiteindelijke emissies worden namelijk niet alleen bepaald door de gebruikte machine, maar ook door de samenstelling van de mest en de bedrijfsvoering.
Het vijfjarige onderzoek laat daarmee verschillende effecten zien. Emissiearme mesttoediening beperkt het verlies van ammoniak en zorgt ervoor dat meer stikstof beschikbaar blijft voor het gras, wat resulteert in een hogere opbrengst. Tegelijkertijd neemt de lachgasemissie toe. Voor het bodemleven werden geen duidelijke nadelige effecten van zodenbemesting gevonden.
Bron: WUR




