Inmiddels is op een aantal percelen de mais gehakseld, maar er staan ook nog genoeg percelen waar de hakselploeg nog naartoe moet. Wanneer is een perceel werkelijk klaar om te hakselen? Het drogestofpercentage alleen zegt niet altijd genoeg. Ook de conditie van de plant, de vulling van de kolf en de ontwikkeling van de korrel spelen een belangrijke rol. Zeker in een jaar met grote verschillen tussen regio’s en percelen.
Tijdens de Masterclass MaisChallenge in Rhenen legde Patrick Boosten, teeltspecialist bij Limagrain, uit waar melkveehouders op kunnen letten. De bijeenkomst vond plaats op donderdag 27 augustus en werd georganiseerd in het kader van de MaisChallenge van Limagrain en NAJK, in samenwerking met FrieslandCampina en Eurofins.
Wat gebeurt er tijdens de afrijping?
Na de bloei en bevruchting ontstaan de korrels in de kolf van de mais. Via fotosynthese maakt de plant suikers aan, die voor een groot deel worden omgezet in zetmeel en naar de korrels worden getransporteerd. “Van nature wil de plant haar nakomelingen voldoende energie meegeven”, legt Boosten uit.
Tijdens de afrijping probeert de plant de korrels zo goed mogelijk te vullen en te laten drogen. Dat is ook aan de plant te zien. De onderste bladeren sterven af en gaan hangen, waardoor onderin meer lucht en licht komt. Later gaat ook de kolf hangen en wordt het schutblad bruin en droger. Doordat de kolf naar beneden hangt, kan regenwater er gemakkelijk vanaf lopen.
“Als de bladeren onder de kolf grotendeels hangen en het schutblad bruin en droog wordt, kun je op het oog stellen dat het drogestofpercentage rond de 38 ligt”, aldus Boosten.
Kolf en restplant drogen niet even snel
Een uitdaging is dat kolf en restplant niet in hetzelfde tempo droger worden. Een groene, vitale plant kan nog relatief weinig droge stof bevatten, terwijl de korrel al ver is afgerijpt.
Volgens Boosten bevat een plant die nog niet echt aan het afrijpen is minder dan 18 procent droge stof. Zodra de afrijping duidelijk begint, de bladeren gaan hangen en het schutblad bruin wordt, ligt het drogestofpercentage van de restplant doorgaans tussen 20 en 22 procent, met uitschieters tot ongeveer 25 procent.
In de kolf ligt het drogestofgehalte aanzienlijk hoger. Wanneer de melklijn in de korrel zichtbaar begint te worden, bevat de kolf grofweg 35 tot 40 procent droge stof. Rond halverwege de korrel is dat ongeveer 45 procent. Naarmate de melklijn verder richting de spil zakt, stijgt het gehalte naar ongeveer 50 tot 55 procent. Bij volledige fysiologische rijpheid, wanneer onderaan de korrel het zwarte puntje zichtbaar wordt, bevat de kolf ongeveer 60 procent droge stof.
De verhouding tussen kolf en restplant bepaalt uiteindelijk sterk het drogestofpercentage van het hele gewas. Bestaat ongeveer de helft van het gewicht uit kolf en de andere helft uit plant, dan kan een frisse restplant van 20 procent droge stof in combinatie met een sterk afgerijpte kolf toch leiden tot een totaal gewas dat richting 40 procent droge stof gaat.
Verdroogde mais: wachten helpt niet altijd
In een droog jaar kan alleen naar de korrel kijken misleidend zijn. Op verschillende plaatsen staan percelen waar planten voortijdig zijn verdroogd. Zulke planten hebben vaak onvoldoende vocht gehad om de korrels optimaal te vullen. Soms is er zelfs sprake van kolfloze planten.
Als de plant afsterft, stopt ook de vorming en het transport van suikers grotendeels. De kolf wordt dan wel droger, maar het zetmeelgehalte stijgt nauwelijks nog. Tegelijk neemt de verteerbaarheid van de restplant af.
“In zo’n situatie biedt langer wachten geen soelaas en kun je het beste maar gaan hakselen”, adviseert Boosten.
Te droge mais is bovendien moeilijker goed vast te rijden in de kuil. Daardoor blijft meer zuurstof achter en neemt het risico op broei bij het uitkuilen toe. Ook het hakselen wordt lastiger en aan het voerhek kunnen meer harde en slecht verteerbare plantdelen overblijven.

Vuistregel gaat dit jaar niet overal op
Tijdens de bijeenkomst werd als grove vuistregel genoemd dat het drogestofpercentage maal tien vaak ongeveer overeenkomt met het zetmeelgehalte in gram per kilogram droge stof. Bij 35 procent droge stof zou je dan grofweg 350 gram zetmeel verwachten.
Maar juist dit jaar gaat die vuistregel niet overal op. Op verschillende percelen blijft het zetmeelgehalte achter. Een gewas met bijvoorbeeld 40 procent droge stof en slechts 340 gram zetmeel bevat relatief veel droge stof uit stengel en blad. Zou het zetmeelgehalte richting 400 gram gaan, dan komt een groter deel van de droge stof uit de kolf. Dat verschil is belangrijk voor de voederwaarde.
Tijdens de Masterclass namen deelnemers eigen maisplanten mee. Die werden door medewerkers van Limagrain gehakseld en geanalyseerd. Een deelnemer had mais met 32,6 procent droge stof en 326 gram zetmeel. Volgens Boosten is dat een goede verhouding. De deelnemer wilde rond 37 procent droge stof hakselen.
Onder normale omstandigheden stijgt het drogestofpercentage volgens Boosten ongeveer één procentpunt per twee tot drie dagen. Bij zeer warm weer kan dat soms oplopen tot ongeveer één procentpunt per dag. In dit geval zou het gewas onder normale omstandigheden nog ongeveer tien tot vijftien dagen nodig hebben.
Een andere deelnemer zat op 30,5 procent droge stof en 307 gram zetmeel. Zolang zo’n gewas frisgroen blijft en voldoende zonlicht opvangt, kan het rustig verder afrijpen en nog extra zetmeel vormen.
Daarmee wordt duidelijk waarom een vast drogestofpercentage niet automatisch voor ieder perceel hetzelfde oogstadvies oplevert.

Hoger hakselen verhoogt de voederwaarde
Ook de stoppelhoogte beïnvloedt de samenstelling van de kuil. Wie hoger hakselt, laat relatief meer stengel op het land achter. Daardoor stijgen doorgaans zowel het drogestofpercentage als het zetmeelgehalte van het geoogste product.
Daar staat tegenover dat de totale opbrengst in tonnen droge stof daalt. Voor bedrijven met een tekort aan ruwvoer kan dat een reden zijn om juist lager te hakselen. Het blijft een afweging tussen voederwaarde en totale opbrengst.
Water op kritieke momenten
Een groen gewas betekent niet automatisch dat de kolf goed gevuld is. Tijdens de bijeenkomst vertelde Theo Courtz van Limagrain over een proefveld in Een waar de planten er frisgroen bij stonden, terwijl de toppen van de kolven slecht waren gevuld.”Waarschijnlijk was vochttekort tijdens een gevoelig moment de oorzaak. Mais heeft vooral water nodig bij de kieming, vlak voor de bloei en tijdens de afrijping.” Een exacte hoeveelheid is volgens de specialisten van Limagrain moeilijk te noemen, maar 20 tot 30 millimeter neerslag of beregening kan op zo’n kritisch moment al veel verschil maken.
Volgens Boosten passen vroege maisrassen qua timing doorgaans beter bij de Nederlandse omstandigheden dan late rassen. Een vroeg ras bloeit en wordt eerder bevrucht. In een droog jaar kan dat gunstig zijn, omdat de bloei mogelijk al vóór de droogste periode plaatsvindt. Een later ras kan juist midden in een hete en droge periode bloeien, waardoor de kans op problemen met bevruchting en korrelzetting toeneemt.
Boosten stipt nog even aan dat de maisplant heel efficiënt met water omgaat. De bladeren vangen regen op en leiden een deel daarvan richting de voet en wortelzone.
Geen jaar voor standaardadvies
De belangrijkste conclusie van de bijeenkomst in Rhenen is dat 2026 een jaar van grote verschillen is. Noord en zuid verschillen sterk van elkaar, maar ook tussen percelen op korte afstand kunnen grote verschillen voorkomen.
Het optimale oogstmoment bepaal je daarom niet op basis van één cijfer. Kijk naar het drogestofpercentage, maar ook naar de conditie van de restplant, de kolfvulling, de melklijn en het zetmeelgehalte.
Juist door die verschillen is volgens Limagrain de belangstelling voor Agrility groot. Dit digitale platform gebruikt onder meer satellietbeelden en verwachte weersomstandigheden om het optimale oogstmoment van een perceel snijmais te bepalen.
Tekst: Gerben Hofman
Beeld: Limagrain en Gerben Hofman




