Sinds 1 januari 2026 moeten melkveehouders volledig voldoen aan de voorschriften uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) voor de opslag van ruwvoer. Ruwvoer mag niet rechtstreeks op onverharde grond liggen. Ook moeten veehouders voorkomen dat perssap en vervuild hemelwater in de bodem of het oppervlaktewater terechtkomen. Volgens Jarco Brand, projectleider Bouw bij DLV Advies, is het daarom verstandig om bestaande voeropslagen en waterstromen op het erf te controleren.
Controleer vloer en waterafvoer
De regels voor ruwvoeropslag maken deel uit van de voorschriften die de bodem en het oppervlaktewater moeten beschermen. Het wettelijke kader veranderde met de invoering van het Bal op 1 januari 2024. Voor een deel van de voorschriften gold vervolgens een overgangstermijn van twee jaar. Sinds 1 januari 2026 moeten bedrijven aan de betreffende eisen voldoen.
Volgens Brand ligt de belangrijkste aandacht bij bestaande voeropslagen. Bij nieuwbouw houden ondernemers in het ontwerp doorgaans al rekening met de vloer, het afschot, goten en de opvang van vuil water. Bij oudere voorzieningen ontbreekt die samenhang volgens hem soms. “Controleer niet alleen waar het voer ligt, maar vooral ook waar het water naartoe gaat.” Daarbij gaat het niet alleen om de hoeveelheid perssap die in de praktijk vrijkomt. Ook de mogelijkheid dat perssap of vervuild water ontstaat, speelt een rol in de regelgeving.
Ruwvoer op geschikte ondergrond
Ruwvoer moet op een bodembeschermende voorziening of elementenbodemvoorziening liggen. In de praktijk gaat het bijvoorbeeld om beton, betonplaten, asfalt of klinkers. Bij een elementenverharding moeten de afzonderlijke elementen goed tegen elkaar aansluiten. Volgens Brand ligt het meeste ruwvoer op melkveebedrijven al op een geschikte ondergrond. Daarnaast kan een goede voeropslag volgens hem bijdragen aan de voederhygiëne.
Een aandachtspunt vormen tijdelijke en kleinere kuilen. Denk bijvoorbeeld aan een kleine maiskuil die na de oogst wordt aangelegd terwijl een grotere kuil eerst verder conserveert. Ook tijdelijke opslag moet aan de voorschriften voldoen. Een kleine hoeveelheid ruwvoer mag dus niet zonder meer enkele weken op onverharde grond liggen.
Daarom adviseert Brand veehouders om niet pas tijdens een bedrijfscontrole naar de opslag te kijken. “Loop zelf eens over het erf en kijk met een kritische blik naar alle plekken waar ruwvoer of bijproducten worden opgeslagen. Ook naar de tijdelijke oplossingen. Juist daar ontstaan gemakkelijk situaties die niet meer aansluiten bij de huidige voorschriften.”
Scheid schoon en vuil water
Bij ruwvoeropslag kan perssap ontstaan. Ook kan regenwater verontreinigd raken wanneer het in contact komt met voer of voerresten. Dit wordt ook wel percolaat genoemd. Het water kan daardoor onder meer nutriënten bevatten. “De scheiding tussen schoon en vuil water is eigenlijk het uitgangspunt”, zegt Brand. “Schoon hemelwater wil je niet onnodig naar een mestkelder of opvangput sturen. Water dat in aanraking komt met voer of voerresten moet je juist wel gecontroleerd kunnen afvoeren en opvangen.”
Bij nieuwere sleufsilo’s is hiervoor vaak een gescheiden afvoer aangelegd. Een duo-goot kan bijvoorbeeld schoon hemelwater en vervuild water van elkaar scheiden. Het schone water kan vervolgens apart worden afgevoerd. Vervuild water gaat naar een opvangvoorziening. Bij oudere voeropslagen ontbreekt zo’n scheiding volgens Brand regelmatig. Een melkveehouder kan dan bijvoorbeeld straatkolken, goten en leidingen aanleggen om vervuild water naar een geschikte opslag of mestkelder te leiden. De beste oplossing hangt af van de situatie op het erf. Daarbij spelen onder meer de hoogtes, het afschot, de ligging van de silo’s en de beschikbare mestopslag een rol.
“Soms kun je met een relatief beperkte aanpassing al een goede scheiding maken. In andere situaties is een grotere reconstructie van het erf verstandiger.” Een opvangvoorziening moet daarbij voldoende capaciteit hebben en mag niet overlopen. Opgevangen afvalwater kan onder voorwaarden over landbouwgrond worden verspreid. Het kan in de praktijk ook samen met mest worden uitgereden.
Houd de voeropslag schoon
Een volledig lege en bezemschone sleufsilo hoeft niet als vuil oppervlak te worden behandeld. Daarom loont het om voerresten regelmatig te verwijderen. Daarom kan het helpen om voerresten regelmatig te verwijderen. Vooral rond het snijvlak van een kuil is aandacht nodig. Regenwater kan daar gemakkelijk met voer of voerresten in contact komen. Door deze resten te verwijderen, blijft het oppervlak dat mogelijk vervuild water produceert kleiner.
“Hoe netter je werkt, hoe kleiner het oppervlak waarvan je vervuild water hoeft op te vangen”, aldus Brand. “Zorg dat lege delen van de voeropslag schoon zijn en voorkom dat voerresten over het erf verspreid raken. Daarmee maak je de waterstromen ook veel overzichtelijker.”
Hetzelfde principe geldt voor andere plekken op het erf. Zo kan water vervuild raken op een doorgang waar koeien vanuit de stal naar buiten lopen. Ook bij een opslag voor vaste mest kan vocht vrijkomen. Daarom is het belangrijk om de waterstromen op het hele erf te bekijken.
Bekijk het erf als geheel
Voor bedrijven met oudere voeropslagen adviseert Brand om niet alleen naar de vloer of waterafvoer afzonderlijk te kijken. “Als je toch moet investeren, kijk dan naar het hele erf. Hoe lopen de rijroutes? Is er voldoende opslagcapaciteit? Kun je schoon en vuil water logisch scheiden? En past de voeropslag nog bij de ontwikkeling van het bedrijf voor de komende jaren?”
Een bredere beoordeling kan voorkomen dat een tijdelijke oplossing later opnieuw moet worden aangepast. Zeker wanneer een veehouder een sleufsilo wil uitbreiden of vervangen, kunnen vergunningen, ruimtelijke mogelijkheden en technische eisen tegelijk worden bekeken.
Volgens Brand begint een beoordeling met drie vragen: waar ligt het voer, waar kan vervuild water ontstaan en waar stroomt dat water vervolgens naartoe? “Als je die drie zaken duidelijk hebt, kun je bepalen of aanpassing nodig is en welke oplossing technisch en bedrijfseconomisch het beste past.”
Bron: DLV Advies




