De eerste snede vormt op veel melkveebedrijven de basis van de wintervoorraad en levert een groot deel van de jaaropbrengst. Juist in deze snede kun je met bemesting vooral met stikstof en zwavel sterk sturen op eiwit en kwaliteit. Tegelijk wordt het bemesten van de eerste snede steeds meer een puzzel: hoe zet je drijfmest zo optimaal mogelijk in binnen de beschikbare ruimte en omstandigheden?
Waarom wordt de bemesting bij de eerste snede dit jaar anders?
In 2026 is wordt optimale inzet cruciaal, mede doordat de derogatie is beëindigd en de norm voor stikstof uit dierlijke mest op landbouwgrond uitkomt op 170 kilogram stikstofper hectare per jaar. Dat betekent dat elke kuub drijfmest en elke kilogram kunstmest-stikstof strategischer moet worden ingezet. Niet alleen vragen als ‘hoeveel mag ik bemesten?’ spelen een rol. Ook vragen als: ‘waar levert het de hoogste benutting op?’, zeker richting de eerste snede komen langs.
Drijfmest richting de eerste snede
De regels bepalen wanneer je mag rijden. De praktijk bepaalt wanneer het verstandig is.
Hoewel 16 februari de wettelijke startdatum is voor drijfmest op grasland, draait bemesting van de eerste snede vooral om bodemconditie. Een perceel dat net draagkracht mist, kost je meer opbrengst dan een week later starten.
In de praktijk ligt het zwaartepunt van de drijfmestgift voor de eerste snede tussen half februari en eind maart. Vroeg uitrijden kan gunstig zijn voor benutting en nawerking richting de tweede snede als de bodem het dus toelaat.
Hoeveel drijfmest naar de eerste snede?
Er bestaat geen standaardrecept. Veel melkveehouders kiezen ervoor om een aanzienlijk deel van de beschikbare plaatsingsruimte in het voorjaar te benutten. Richtgetallen van rond de 25 ton per hectare voor de eerste snede worden genoemd, maar de werkelijke gift hangt af van:
- stikstofgehalte van de mest
- totale plaatsingsruimte op het bedrijf
- gewenste eiwitopbrengst
- planning van volgende snedes
Belangrijker dan het aantal kuubs is de vraag: hoeveel werkzame stikstof lever je hiermee daadwerkelijk aan het gewas?
Kunstmest: vorm en timing bepalen het verschil
Waar drijfmest vooral volume levert, bepaalt kunstmest de precisie.
Bij lage bodemtemperaturen wordt ammonium doorgaans efficiënter benut dan nitraat. Daarom ligt bij de eerste snede vaak de nadruk op ammoniumrijke meststoffen of producten met een nitrificatieremmer.
De praktische vuistregel voor bemesting van de eerste snede met kunstmest:
- stem kunstmest af op de bijdrage uit drijfmest
- kijk naar bodemtemperatuur en groeiverwachting
- voorkom overhaaste giften bij koud en nat weer
- neem zwavel mee waar tekorten aannemelijk zijn
Zwavel bij de eerste snede: onderschatte opbrengstfactor
Zwavel is in het voorjaar regelmatig de beperkende factor bij eiwitvorming. De bodemlevering komt pas later echt op gang en ook de bijdrage uit drijfmest is dan beperkt. Daardoor kan gras in de eerste snede sterker afhankelijk zijn van zwavel uit kunstmest dan later in het seizoen.
Onder goede groeiomstandigheden heeft grasland grofweg 35 tot 45 kilo zwavel per hectare nodig. Tekorten kunnen leiden tot merkbaar lagere drogestof- en eiwitopbrengsten. In de praktijk wordt daarom vaak een zwavelgift meegenomen bij de eerste snede, eventueel verdeeld over de eerste twee snedes.
Tegelijk vraagt zwavel om nuance. Op kleigrond treden zelden tekorten op, terwijl op veengrond latere mineralisatie juist tot hogere zwavelgehalten kan leiden. De boodschap is dus: neem zwavel bewust mee in je bemestingsplan, maar stem de gift af op grondsoort en perceelspecifieke situatie.
Regelgeving en randvoorwaarden voor bemesting in 2026
Wie zijn bemesting voor de eerste snede plant, krijgt eerst te maken met het wettelijke speelveld. De uitrijdperiodes verschillen per mestsoort, grondsoort en gebruik (grasland of bouwland). Voor grasland zijn richting de eerste snede vooral de onderstaande kaders van belang.
Overzicht uitrijdperiodes grasland 2026
| Mestsoort | Grondsoort | Periode toegestaan |
|---|---|---|
| Drijfmest | Zand- en lössgrond | 16 februari t/m 31 augustus |
| Klei- en veengrond | 16 februari t/m 31 augustus | |
| Vaste mest (niet-strorijk) | Zand- en lössgrond | 1 februari t/m 31 augustus |
| Klei- en veengrond | 1 februari t/m 31 augustus | |
| Vaste strorijke mest | Zand- en lössgrond | 1 januari t/m 31 augustus |
| Klei- en veengrond | 1 december t/m 15 september | |
| Stikstofkunstmest | Alle grondsoorten | 1 februari t/m 15 september |
Let op: exacte definities (bijvoorbeeld wat valt onder ‘vaste strorijke mest’) en eventuele voetnoten staan in de officiële RVO-tabellen. Die zijn leidend.
Techniek: emissiearm is de norm
De manier van uitrijden is eveneens strak gereguleerd. Op zand- en lössgrond moet drijfmest op grasland in de grond worden aangewend met een systeem dat volledig tot op de bodem gesloten is en voldoet aan de eisen voor sleufbreedte.
Voor ondernemers die in 2026 gebruik willen van bovengronds uitrijden van eigen runderdrijfmest op eigen grasland geldt een aangepaste regeling. Zie onderstaand bericht meer over bovengronds mest uitrijden.
Tekst: Stefan Zwaneveld




