Het microbiologische toevoegmiddel Kopros kan mogelijk de uitstoot van ammoniak en methaan uit melkveestallen verminderen. Onderzoek van Wageningen Livestock Research laat zien dat het middel verschillende eigenschappen van rundveedrijfmest verandert. Op basis van deze veranderingen schatten onderzoekers dat de ammoniakemissie tijdens de onderzoeksperiode met 30 procent of meer is afgenomen. Het gaat hierbij om een schatting en niet om een rechtstreeks gemeten emissiereductie.
Melkveehouders gebruiken soms toevoegmiddelen om de emissies uit drijfmest te beperken. Ammoniak ontstaat onder andere wanneer urine en mest op de stalvloer met elkaar in contact komen. Tegelijkertijd willen melkveehouders de bemestende waarde van drijfmest behouden of verbeteren.
WUR-onderzoeker Herman de Boer onderzocht daarom of het microbiologische middel Kopros B beide doelen kan ondersteunen. Het middel bevat micro-organismen die na het aanbrengen op de stalvloer in de mest kunnen groeien en vervolgens hun werking in de mestkelder voortzetten.
Onderzoek naar effecten op rundveedrijfmest
Voor het onderzoek verdeelden de onderzoekers een melkveestal met een roostervloer in twee delen. Beide staldelen beschikten over een eigen mestkelder. In één deel brachten de onderzoekers iedere vier weken Kopros aan op de roostervloer. Het andere deel bleef onbehandeld.
De koeien in beide staldelen kregen hetzelfde basisrantsoen. Van eind september 2025 tot half februari 2026 namen de onderzoekers regelmatig mestmonsters uit beide mestkelders.
Daarbij onderzochten zij onder andere de zuurgraad, het gehalte organische stof, stikstof, ammonium en vluchtige vetzuren. De onderzoekers voerden geen rechtstreekse metingen uit van de ammoniakemissie uit de stal.
Ammoniakemissie mogelijk met 30 procent of meer verminderd
De behandeling met Kopros veranderde verschillende eigenschappen van de mest. Zo nam het gehalte vluchtige vetzuren met ruim 60 procent af. Dit sluit aan bij praktijkwaarnemingen dat behandelde mest minder sterk ruikt.
Daarnaast bevatte de behandelde mest minder organische stof. De pH steeg en de gehalten ammoniumstikstof en totale stikstof namen toe.
Ook was de verhouding tussen stikstof en fosfor in de behandelde mest, na correctie, hoger dan in de onbehandelde mest. Omdat fosfor niet uit mest vervluchtigt, kan een hogere stikstof-fosforverhouding erop wijzen dat er minder stikstof uit de behandelde mest is vervluchtigd.
Op basis van deze veranderingen schatten de onderzoekers dat de ammoniakemissie uit de stal tijdens de onderzoeksperiode met 30 procent of meer is afgenomen. Omdat zij de emissie niet rechtstreeks hebben gemeten, moet vervolgonderzoek uitwijzen of deze vermindering daadwerkelijk optreedt.
Mogelijk ook minder methaanuitstoot
De sterke afname van vluchtige vetzuren, waaronder azijnzuur, kan volgens de onderzoekers wijzen op een lagere methaanproductie.
Om vast te stellen of Kopros daadwerkelijk de methaanuitstoot vermindert, zijn rechtstreekse methaanmetingen nodig.
Een mogelijke verklaring voor de lagere ammoniakemissie is de vorming van een biofilm. De micro-organismen zouden een dun, slijmerig laagje kunnen vormen op de stalvloer of op de mest in de kelder. Zo’n laagje kan mogelijk de emissie beperken. Of deze biofilm daadwerkelijk ontstaat en welk effect deze heeft op de emissies, moet nog verder worden onderzocht.
Effect op ammoniakemissie na mest uitrijden nog onzeker
De onderzoekers keken ook naar de mogelijke gevolgen van de behandeling wanneer melkveehouders de drijfmest uitrijden op het land.
Door de hogere pH en het hogere ammoniumgehalte kan de behandelde mest na het uitrijden mogelijk meer ammoniak uitstoten. Daar staat tegenover dat de mest door de behandeling dunner wordt, waardoor deze sneller de bodem kan intrekken. Dit kan het effect van de hogere pH en het ammoniumgehalte tegengaan.
Volgens de onderzoekers is vervolgonderzoek nodig om vast te stellen wat het uiteindelijke effect van de behandeling is op de ammoniakemissie na het uitrijden.
Vervolgonderzoek naar werking micro-organismen
De eerste onderzoeksresultaten wijzen erop dat microbiologische toevoegmiddelen mogelijkheden bieden om de emissies uit rundveedrijfmest te verminderen. Toch is aanvullend onderzoek nodig om de werking en de daadwerkelijke emissiereductie vast te stellen.
De onderzoekers adviseren daarom om Kopros onder gecontroleerde en representatieve omstandigheden verder te testen. Daarbij moet een onbehandelde referentie aanwezig zijn en moeten onderzoekers de ammoniak- en methaanemissies rechtstreeks meten.
Daarnaast willen zij meer inzicht krijgen in de mogelijke vorming van een biofilm, veranderingen in de microbiële samenstelling van de mest en de gevolgen voor de emissies na het uitrijden.




