De mestuitrijperiode op grasland wordt vanwege de aanhoudende droogte verlengd tot en met 15 september. Dat heeft landbouwminister Jaimi van Essen besloten na advies van de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM). Daarnaast worden vanwege de uitzonderlijke droogte enkele voorwaarden binnen het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) en de eco-regeling aangepast. De maatregelen bieden ruimte voor bedrijven waar de grasgroei door droogte en hoge temperaturen is stilgevallen. Ook moet hiermee worden voorkomen dat mest onder ongunstige omstandigheden wordt uitgereden.
Mestuitrijperiode verlengd
De uitrijperiode voor drijfmest op grasland wordt dit jaar op alle grondsoorten verlengd tot en met 15 september, dat staat in de kamerbrief van woensdag 26 augustus 2026. Ook de periode voor vaste dierlijke mest op graslandpercelen op zand- en lössgrond wordt verlengd tot die datum. Het besluit volgt op een analyse van de CDM naar de landbouwkundige noodzaak en de mogelijke milieueffecten van een langere uitrijperiode.
De CDM constateert dat de zomer van 2026 wordt gekenmerkt door uitzonderlijke droogte. Het neerslagtekort behoort volgens de commissie tot de hoogste ooit gemeten en is vergelijkbaar met dat van 2018. De droogte heeft geleid tot verminderde grasgroei, opbrengstverliezen en droogtestress op grasland. Volgens de CDM zijn daardoor op sommige bedrijven één of twee grassnedes verloren gegaan. Ook wordt een lagere maïsopbrengst verwacht. Melkveehouders zullen daarom proberen om met de laatste grassnede voldoende ruwvoer voor de komende periode te produceren.
Het uitrijden van mest op een nog niet herstelde graszode kan volgens de CDM schade aan de zode veroorzaken en de opbrengst verlagen. Een verlenging tot half september biedt volgens de commissie de mogelijkheid om de mest toe te dienen wanneer de graszode is hersteld. De stikstof uit de mest kan dan beter worden benut.
De CDM stelt dat dit vanuit landbouwkundig en milieukundig perspectief de voorkeur heeft boven het versneld uitrijden van mest aan het einde van augustus. Bovendien brengt het uitrijden van grote hoeveelheden mest op verdroogde grond risico’s voor uit- en afspoeling met zich mee. Een verlenging tot half september leidt volgens de commissie niet tot een betekenisvolle toename van nitraatuitspoeling ten opzichte van de reguliere periode.
Overmacht voor enkele GLB-voorwaarden
Naast de mestmaatregel worden ook verschillende voorwaarden binnen het GLB en de eco-regeling aangepast. Door de droogte en beperkingen op het gebruik van grond- en oppervlaktewater kunnen boeren op sommige plaatsen niet aan bepaalde voorwaarden voldoen.
Voor twee conditionaliteitsvoorwaarden rond minimale bodembedekking wordt daarom overmacht toegekend. Dat geldt ook voor de minimale zichtbare bodembedekking bij de eco-activiteiten groene braak en onderzaai vanggewas. Het gaat onder meer om voorwaarden waarbij een minimale zichtbare bodembedekking van 80 procent vereist is. Onder normale omstandigheden geldt voor de eco-regeling een resultaatverplichting. Door de uitzonderlijke weersomstandigheden wordt de inspanning in deze situatie wel vergoed, ook als het voorgeschreven resultaat niet wordt behaald.
De minister schrijft dat hiermee wordt voorkomen dat deelname aan de eco-regeling door de huidige omstandigheden onder druk komt te staan. “Ik acht het van belang dat het beleid blijft aansluiten op de praktijk”, aldus Van Essen.
Uiterste rooidatum vroeg rooigewas aangepast
Ook voor de eco-activiteit ‘vroeg ras rooigewas’ wordt de termijn aangepast. De uiterste rooidatum van 1 september wordt gelijkgesteld met de huidige uiterste inzaaidatum van vanggewassen op zand- en lössgrond. Daarmee verschuift de uiterste rooidatum naar 1 oktober.
Voor de genoemde overmachtssituaties geldt dat de voorwaarden als voldaan worden beschouwd, ook wanneer bij een eventuele controle blijkt dat niet aan de oorspronkelijke voorwaarden is voldaan.
Tekst: Esmee Groot Roessink




