In het Friese veenweidegebied is gedurende vijf jaar onderzocht hoe verschillende mestsoorten de bodem en grasproductie beïnvloeden. Het onderzoek van het Louis Bolk Instituut richt zich op mestvarianten die verschillen in koolstof-stikstofverhouding en de beschikbaarheid van stikstof en fosfaat. Daarbij is gekeken naar effecten op bodemorganische stof, bodemstructuur, waterregulatie, bodemleven, grasopbrengst en fosfaatopname.
In de vijfjarige veldproef zijn verschillende mestsoorten met uiteenlopende samenstellingen toegepast. Daarbij is onder meer gekeken naar verschillen in de koolstof-stikstofverhouding en de snelheid waarmee stikstof en fosfaat beschikbaar komen voor het gewas. Volgens het onderzoeksinstituut beïnvloeden deze verschillen zowel de nutriëntenhuishouding als de ontwikkeling van de bodemstructuur.
Praktijkopzet van de veldproef
In 2021 is in het Friese veenweidegebied bij Koufurderrige een veldproef aangelegd op een graslandperceel met een venig-kleidek en een schalterlaag (verdichte, ondoordringbare veenlaag in de bodem) op circa 20–40 cm diepte. Gedurende de periode 2021–2025 zijn acht bemestingsbehandelingen onderzocht. Daarbij zijn percelen opgedeeld in proefvakken waarin onder meer drijfmest, vaste mest en varianten met aangepaste samenstelling zijn toegediend. Vervolgens zijn gedurende meerdere jaren metingen uitgevoerd aan grasopbrengst, stikstof- en fosfaatopname en bodemparameters zoals organische stof en bodemstructuur. Volgens het Louis Bolk Instituut maakt deze opzet het mogelijk om verschillen tussen mestsoorten onder praktijkomstandigheden te volgen, waarbij seizoensinvloeden en variatie in veenbodems expliciet zijn meegenomen. Daardoor ontstaat een beeld van zowel korte termijn effecten op gewasgroei als langere termijn ontwikkelingen in de bodem.
Grasproductie, nutriëntenopname en bodemkwaliteit
Het onderzoek van het Louis Bolk Instituut laat zien dat mestsoorten in het Friese veenweidegebied verschillend doorwerken op zowel bodem als gewas. Mestsoorten met een hogere organische-stofaanvoer, zoals dikke fractie en bokashi, leiden tot een hogere opbouw van organische stof in de bodem en een toename van het bodemvochtvasthoudend vermogen. Tegelijkertijd is de stikstoflevering in deze varianten trager dan bij drijfmest of kunstmest, waardoor de grasopbrengst in het voorjaar gemiddeld lager uitvalt, maar later in het seizoen wordt gecompenseerd door nalevering uit de bodem.
De resultaten laten verder zien dat de regenwormdichtheid duidelijk verschilt per mestsoort. In percelen met vaste mest en dikke fractie zijn hogere aantallen bodemfauna gemeten dan in kunstmest- en controlebehandelingen, waar de dichtheid lager bleef. Ook de fosfaatbenutting varieert: bij organische mestsoorten is sprake van een geleidelijkere afgifte, terwijl bij kunstmest een directere opname in het gewas plaatsvindt.
Daarnaast blijkt dat de effecten van mestsoorten niet uniform zijn over de jaren. Droogteperiodes en verschillen in mineralisatie zorgen voor variatie in grasopbrengst tussen 2021 en 2025, waarbij vooral in droge jaren de verschillen tussen organische en minerale mestsoorten sterker zichtbaar worden. Volgens het Louis Bolk Instituut onderstreept dit dat mestkeuze in veenweidesystemen niet los kan worden gezien van bodemtype en weersomstandigheden.
Bron: Louis Bolk Instituut




