Een vaars die op tijd afkalft, is nog niet automatisch een goede melkkoe. Dat was een belangrijke boodschap van dr. Stefan Borchardt tijdens de FirstStep Academy in Luxemburg en Duitsland afgelopen juni. Volgens hem kijken melkveehouders bij de opfok nog te vaak naar leeftijd, terwijl gewicht en ontwikkeling veel meer zeggen over de vraag of een pink klaar is voor inseminatie, afkalven en een sterke eerste lactatie.
Vaarzen opfokken is een van de grootste investeringen op een melkveebedrijf. De kosten lopen maandenlang door, terwijl de opbrengst pas later komt. Juist daarom is het belangrijk dat vaarzen niet alleen jong afkalven, maar vooral goed ontwikkeld aan de melkveestapel beginnen. “Een vaars die op tijd afkalft, maar onvoldoende ontwikkeld is, kan nog lang verborgen kosten veroorzaken”, stelde Borchardt, dierenarts en onderzoeker van de Universiteit van Berlijn.
Leeftijd bij afkalven zegt niet alles
Op veel bedrijven wordt gestuurd op een leeftijd bij eerste afkalving van 22 tot 24 maanden. Dat blijft volgens Borchardt een bruikbaar doel, maar het mag niet het enige stuurgetal zijn. Een vaars die op 23 maanden afkalft, maar te licht is, begint met een achterstand. Ze moet dan tegelijk groeien, herstellen van afkalven en melk produceren.
Het zijn processen die met elkaar concurreren en dat kost productie. Vaarzen geven sowieso minder melk dan volwassen koeien. In goed gemanagede koppels halen ze ongeveer 75 tot 82 procent van de piekproductie van oudere koeien. Zijn vaarzen bij afkalven onvoldoende ontwikkeld, dan wordt dat verschil groter.
Gebruik het volwassen lichaamsgewicht als ijkpunt
Op welk gewicht moet een dier dan zijn bij de eerste inseminatie? Borchardt adviseert om de ontwikkeling van vaarzen te koppelen aan het volwassen lichaamsgewicht van de eigen veestapel. Dat is het gemiddelde gewicht van volwassen koeien in de derde lactatie of ouder. Dit bedrijfsgewicht is belangrijk, omdat een Holstein-koppel van gemiddeld 680 kilogram andere doelen vraagt dan een koppel met een gemiddeld gewicht van 750 kilo.
De richtwaarden die Borchardt schetst:
Een pink moet bij eerste inseminatie ongeveer 55 procent van het volwassen lichaamsgewicht hebben bereikt. Kort vóór afkalven moet dat ongeveer 95 procent zijn. Na de eerste afkalving hoort de vaars uit te komen op ongeveer 80 tot 85 procent van het volwassen gewicht.
Voor een bedrijf waar volwassen koeien gemiddeld 700 kilogram wegen, betekent dit dat vaarzen rond de eerste inseminatie ongeveer 385 kilogram moeten wegen. Vlak vóór afkalven is het doel ongeveer 665 kilogram. Na afkalven ligt het streefgewicht rond 560 tot 595 kilogram.
Meten, niet blind sturen
Volgens Borchardt is objectief wegen een van de meest onderschatte onderdelen van jongveemanagement. Zonder meetgegevens is het lastig om te weten of vaarzen werkelijk op schema liggen. Leeftijd geeft dan schijnzekerheid. Praktische mogelijkheden zijn een vaste weegschaal, een mobiele weeginstallatie, automatische weging of een consequent meetlintprotocol. “Het belangrijkste is niet welk systeem wordt gebruikt, maar dat er regelmatig en op dezelfde manier wordt gemeten”, stelt Borchardt. Hij adviseert vaarzen op vaste momenten te meten of te wegen: rond spenen, op 6 maanden, vóór inseminatie, tijdens drachtcontrole en kort vóór afkalven. De melkveehouder zet dan de gewichten af tegen de doelen van het eigen bedrijf.

Groei vóór spenen telt lang door
Een van de grootste kansen ligt volgens Borchardt in de eerste levensfase. Groei vóór het spenen heeft invloed op de latere ontwikkeling, het moment waarop een vaars geschikt is voor inseminatie en haar prestaties als melkkoe.
“Wie in de eerste maanden groei laat liggen, gaatt later proberen achterstanden in te halen. Dat is vaak duurder en minder effectief. Een goed opfokprogramma begint daarom vanaf de geboorte met voldoende biest, goede melkvoeding, gezondheid, huisvesting en een vlotte overgang naar vast voer. Vroege groei draait niet om vet mesten, maar om het ontwikkelen van een sterk, gezond dier met voldoende skeletgroei en spierontwikkeling. Een vaars moet niet alleen zwaar zijn, maar ook functioneel ontwikkeld.” Borchardt adviseert niet alleen het speengewicht te controleren, maar ook de gemiddelde dagelijkse groei vóór spenen. “Zet een concreet groeidoel en bespreek afwijkingen direct met voeradviseur en dierenarts.”
Ondergewicht kost melk
Een onderontwikkelde vaars begint haar melkcarrière met een nadeel. Ze heeft minder capaciteit om voer op te nemen, moet zelf nog groeien en kan haar genetische aanleg minder goed benutten. Dat leidt tot een lagere piekproductie in de eerste lactatie. Juist die piek is volgens Borchardt belangrijk. “Extra melkproductie in het begin van de lactatie werkt door in de totale lactatieproductie. Kleine verschillen in piekproductie kunnen daardoor over een hele lactatie flink optellen.”
Genetica verbetert, opfok moet mee
De genetische aanleg van melkkoeien is de afgelopen jaren sterk verbeterd. Maar dat potentieel komt alleen tot uiting als de opfok het ondersteunt. Een vaars met hoge genetische aanleg die in de opfok te weinig groei of gezondheid meekrijgt, zal haar potentieel niet volledig benutten. Borchardt noemt dat een belangrijk aandachtspunt voor moderne melkveebedrijven. “De vraag is niet: hoe krijgen we een vaars zo snel mogelijk aan de melk? De betere vraag is: hoe fokken we een vaars op die vanaf de eerste lactatie winstgevend meedraait?”, sluit Borchardt af.
Tijdens de FirstStep Academy van Zinpro stond daarnaast een lange, optimale levensduur centraal. Volgens professor Stephen LeBlanc van de Canadese University of Guelph gaat het daarbij niet om een zo lang mogelijke levensduur, maar om een optimale productieve levensduur. Lees hier verder over de visie en expertise van LeBlanc.
Tekst en beeld: Gerben Hofman




