De kwaliteit en samenstelling van het rantsoen hangen samen met de methaanuitstoot van melkvee. Dat blijkt uit onderzoek van Netwerk Praktijkbedrijven op 15 melkveebedrijven tussen 2021 en 2024. Daarbij zijn onder meer methaan- en ammoniakemissies uit de stal gemeten. Ook zijn voeropname, rantsoensamenstelling, melkproductie en melksamenstelling gevolgd. De onderzoekers vergeleken de gemeten methaanuitstoot met berekende emissies en onderzochten welke voermaatregelen samenhangen met een lagere klimaatimpact.
Rantsoen heeft invloed op methaanemissie
Uit de analyse van Netwerk Praktijkbedrijven blijkt dat de samenstelling van het rantsoen samenhangt met de methaanuitstoot. Volgens het onderzoek kunnen onder meer een groter aandeel snijmais, snijmais met een hoog zetmeelgehalte, meer vers gras via weidegang en goed verteerbare graskuil bijdragen aan een lagere uitstoot.
Bij graskuil speelt volgens de onderzoekers het NDF-gehalte een rol. Een lager NDF-gehalte hangt samen met een betere verteerbaarheid. Voor snijmais is juist het zetmeelgehalte relevant. De onderzoekers wijzen daarbij op het belang van het juiste oogstmoment, zodat de kolf voldoende rijp is.
Ook is gekeken naar de totale CO₂-footprint van het voer. Daarbij zijn naast methaan uit de koe ook de teelt en het transport van gewassen en voedermiddelen meegenomen. Volgens Netwerk Praktijkbedrijven kunnen meer eigen ruwvoer, een groter aandeel snijmais en goed verteerbare graskuil bijdragen aan een lagere klimaatimpact van het rantsoen. Ook bijproducten met een lage CO₂-footprint kunnen hierin een rol spelen.
Meer melk per koe verlaagt uitstoot per kilogram melk
Het onderzoek laat daarnaast een verband zien tussen melkproductie per koe en de uitstoot per kilogram meetmelk. Een hogere melkproductie per koe kan de emissie per kilogram melk verlagen. Dat effect treedt vooral op wanneer dezelfde hoeveelheid melk met minder koeien wordt geproduceerd.
Daarbij speelt voerefficiëntie een rol. Wanneer koeien meer melk produceren uit de beschikbare hoeveelheid voer, kan de uitstoot per kilogram melk dalen. De onderzoekers benadrukken dat deze uitkomst moet worden bekeken binnen het totale bedrijfssysteem.
De studie vergeleek ook berekende methaanemissies met de daadwerkelijk gemeten emissies in de stal. De verschillen konden slechts voor een klein deel worden verklaard door factoren zoals het gebruik van strooisel. Ook het voerniveau en de invloed daarvan op de verteerbaarheid van organische stof en de methaanemissie uit mest speelden een beperkte rol.
Benutten eigen ruwvoer
Volgens de onderzoekers ligt voor melkveehouders een belangrijk aangrijpingspunt bij de teelt en benutting van eigen ruwvoer. Daarbij noemen zij een groter aandeel snijmais in het rantsoen als mogelijke maatregel. Wanneer eigen teelt niet mogelijk is, kan ook aankoop van snijmais worden overwogen.
Voor gras wijzen de onderzoekers op het belang van weidegang. Vers gras kan volgens de onderzoeksresultaten bijdragen aan een lagere methaanemissie. Bij het inkuilen ligt de nadruk op het oogsten van een jong gewas met een lager gehalte aan ruwe celstof. Dit kan de verteerbaarheid van het kuilgras verbeteren.
De maatregelen moeten volgens Netwerk Praktijkbedrijven in samenhang worden bekeken. Het effect hangt namelijk af van de combinatie van rantsoen, voerproductie, melkproductie en het bedrijfssysteem. Het onderzoek geeft daarom vooral richtingen voor mogelijke emissiereductie. De onderzoekers adviseren aanvullend scenario-onderzoek om maatregelen voor verschillende typen melkveebedrijven verder te optimaliseren.




