Stieren met een lage methaanuitstoot geven het kenmerk niet één op één door aan hun melkgevende dochters. Dat blijkt uit een meerjarig onderzoek in Nieuw-Zeeland van de KI-organisaties LIC en CRV.
Het onderzoek toonde aan dat er tussen jonge stieren in de opfokperiode grote verschillen bestaan in methaanproductie. Sommige stieren scheiden vijftien tot twintig procent minder methaan uit dan gemiddeld. De groep stieren met een lage emissie scoorde 18 gram methaan per kilogram droge stof, terwijl de groep met hoge emissie kwam tot 28 gram methaan per kilogram droge stof.
In een tweede deel van het onderzoek is gekeken of het mogelijk is om koeien met een lage methaanemissie te fokken door stieren met een lage methaanemissie te selecteren. In eerste instantie leken de stieren deze genetische aanleg voor minder methaanuitstoot ook door te geven aan hun opgroeiende nakomelingen. Bij melkgevende dochters kwamen de verschillen in methaanemissie niet tot uiting, bij niet-melkgevende dieren lijken stieren hun lagere methaanemissie wel door te geven. De uitkomst van het onderzoek van LIC en CRV is daardoor mogelijk waardevol voor de vleesveesector.
Methaanuitstoot meten
In Nederland en Vlaanderen publiceert CRV sinds april 2025 fokwaarden methaan. Daarvoor zijn data gebruikt over de methaanuitstoot van meer dan 12.000 koeien, die op een honderdtal bedrijven zijn vastgelegd met zogenaamde ‘sniffers’ en ‘greenfeeds’ (hoofdfoto). De gemiddelde Holsteinkoe in Nederland en Vlaanderen produceert dagelijks ongeveer 435 gram methaan. Door een stier te gebruiken met een fokwaarde methaan van 104 zal de nakomeling gemiddeld 18 gram minder methaan per dag uitstoten dan haar moeder.
Tekst: Annelies Debergh




