In Hensies, in Wallonië, runnen Alexandre en Florian Crompot een gemengd landbouwbedrijf. De veestapel telt ongeveer 300 runderen, waaronder een honderdtal roodbonte melkkoeien en enkele Jerseys. Daarnaast houden ze ook twee vleesrassen: Belgisch Witblauw en Blonde d’Aquitaine. Het bedrijf omvat 162 hectare, waarvan 57 hectare grasland. Vanuit hun streven naar voederautonomie geven de veehouders gras een centrale plaats in het rantsoen van hun dieren.
De veehouders hechten veel waarde aan beweiding. Alexandre Crompot maakt meteen duidelijk waarom: “Voor mij is het optimaal benutten van gras heel belangrijk. Koeien zijn nu eenmaal herkauwers.” De dieren gaan dan ook dagelijks naar buiten, ondanks een praktische beperking: een weg die het bedrijf in twee delen splitst. “De tijd die we nodig hebben om de koeien buiten te laten, is vergelijkbaar met de tijd die we anders zouden besteden aan het instrooien van de stal.”
Voor Alexandre is beweiding bovendien economisch interessant. “Gras is een volledig voeder. Een koe die graast, voedt zichzelf. Daar komt geen oogstwerk of mechanisatie aan te pas.”
Een rantsoen met veel ruwvoer
Het rantsoen van de melkkoeien van Crompot is in hoofdzaak opgebouwd rond ruwvoer. “Dankzij gras en kwaliteitsvolle maïs hebben we onze melkproductie kunnen verhogen. Vandaag zitten we gemiddeld aan 34 liter per koe per dag.”
Het bedrijf beschikt over 90 hectare voederoppervlakte: 43 hectare blijvend grasland, 13 hectare tijdelijk grasland en 34 hectare voedermaïs. Om de rantsoenen zo correct mogelijk samen te stellen, laat Crompot zijn ruwvoeders systematisch analyseren. “Na elke grassnede laten we een analyse uitvoeren. Zo weten we precies wat we in handen hebben en hoe we dat ruwvoer het best in het rantsoen inpassen.”
Met bietenpulp springt de melkveehouder vandaag voorzichtiger om. “Ik heb problemen gehad met mastitis na het voeren van perspulp. De kwaliteit van dat product beviel me niet langer, dus ben ik ermee gestopt. Nu voer ik bieten. In de toekomst overweeg ik om voederbieten bovenop mijn maïssilo te vermalen, zodat ik ze het hele jaar door aan de koeien kan geven.”

Zwitsers mengsel met veel eiwit
De tijdelijke graslanden worden ingezaaid met Zwitserse mengsels van Schweizer. Die combineren grassen met vlinderbloemigen. “Het is belangrijk om kwaliteitsgras te produceren met voldoende vlinderbloemigen. Mijn mengsel bestaat voor bijna vijftig procent uit vlinderbloemigen, waaronder luzerne en klaver. De grassen in het mengsel zijn kropaar, rietzwenkgras en timothee.”
Een belangrijk voordeel is dat het mengsel geen stikstofbemesting nodig heeft. “Het vraagt wel behoorlijk wat kalium.” Het mengsel blijft vijf jaar in stand. “Alleen in het laatste jaar, vóór het scheuren, geef ik na elke snede meststof.”
Voor Crompot is het maaien van zo’n Zwitsers mengsel telkens opnieuw een plezier. “Tussen twee sneden doe ik niets. En wanneer ik een maand na de vorige oogst terugkom, staat er opnieuw mooi en kwalitatief ruwvoer. Voor mij is zo’n mengsel rendabeler dan een graangewas.”

Om inkuilverliezen te beperken, verloopt de oogst snel: meestal binnen 24 uur. “Ik maai vaak op het einde van de voormiddag, wanneer het gras rijk is aan suikers. Mijn maaier is uitgerust met een kneuzer. De volgende ochtend wordt het mengsel in zwaden gelegd en nog dezelfde dag geperst.” Alles wordt in balen geoogst. “Graskuil inkuilen is voor ons geen optie, omdat we onvoldoende siloruimte hebben.”
De productie is bovendien regelmatig. Er wordt om de 28 tot 35 dagen geoogst. “Het Zwitserse mengsel maaien we vijf keer per jaar. Gemiddeld halen we 65 balen per hectare per jaar. Ook in droge jaren blijft de productie vrij constant, omdat luzerne met haar diepe wortelstelsel water uit diepere bodemlagen kan opnemen.”
Het eiwitgehalte van het ruwvoer ligt tussen 17 en 20 procent op droge stof. “Het mengsel bevat veel eiwit en energie, maar blijft tegelijk voldoende vezelrijk. In verhouding tot de melkproductie voegen we weinig krachtvoeder toe. Dat toont aan dat ons eigen ruwvoer rijk en geconcentreerd is.”
Rijpe maïs oogsten
Voor de kuilmaïs werken de veehouders met mengsels van stay-greenrassen. “We oogsten de maïs zeer rijp. Zolang er nog sap in de stengel zit, durf ik te oogsten.” Alle percelen worden op hetzelfde moment geoogst. Omdat de maïs op twee locaties met verschillende bodemtypes staat, blijft het bepalen van het ideale oogstmoment wel een compromis. “De oogstdatum kiezen is dus niet eenvoudig.”
Rijpere maïs kan soms iets moeilijker bewaard worden, maar met een aangepaste haksellengte lukt dat goed. Tegelijk heeft rijpe maïs een belangrijk voordeel in het rantsoen. Hoe rijper de maïs, hoe minder volume hij inneemt in de pens. Daardoor kunnen koeien er meer van opnemen. “Rijpe maïs laat de koe toe om meer UFL (Unité Fourragère Lait, oftewel VEM red.) op te nemen.”
Omdat het rantsoen veel gras bevat, past energierijke maïs met een gevorderde rijpheid goed in de strategie van het bedrijf.

Comfort als basis voor productie
Ook dierenwelzijn krijgt veel aandacht. De stallen zijn uitgerust met diepstrooisel. “Dat doen we voor het comfort van de dieren.” Volgens Alexandre blijkt dat comfort ook uit de productiecijfers. De werkelijke melkproductie ligt namelijk dicht bij de theoretische productie die het rantsoen mogelijk maakt. “Dat bewijst dat de dieren goed gehuisvest zijn.”
De veehouders maken geen gebruik van kunstmatige inseminatie. “Wij insemineren niet kunstmatig, omdat dat tijd vraagt. Bij ons worden de koeien natuurlijk gedekt door een stier.”
Ook de levensduur van de koeien is opvallend. Veertig procent van de melkkoeien heeft meer dan vijf lactaties op de teller. “Ik heb zelfs koeien die aan hun twaalfde lactatie bezig zijn. Een koe begint pas echt rendabel te worden na haar derde lactatie. Daarom is het zo belangrijk om dieren lang aan te houden.”
Tekst en beeld: Antoine Van Houtte




